ECLI:NL:HR:2021:1981

Hoge Raad

Datum uitspraak
24 december 2021
Publicatiedatum
23 december 2021
Zaaknummer
20/03228
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 Wet op de rechterlijke organisatie
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad verklaart beroep in cassatie ongegrond inzake inkomstenbelasting 2015

Belanghebbende, woonachtig in het Verenigd Koninkrijk, was in geschil met de Staatssecretaris van Financiën over de aanslag inkomstenbelasting voor het jaar 2015. Na een uitspraak van de Rechtbank Den Haag en hoger beroep bij het Gerechtshof Den Haag, stelde belanghebbende beroep in cassatie in bij de Hoge Raad.

De Hoge Raad heeft het beroep in cassatie beoordeeld aan de hand van vijf middelen. Vier van deze middelen faalden op de gronden die reeds waren vermeld in een eerder arrest van de Hoge Raad (ECLI:NL:HR:2021:1845). Het derde middel werd eveneens verworpen zonder nadere motivering, omdat het geen vragen opriep die van belang zijn voor de eenheid of ontwikkeling van het recht.

De Hoge Raad concludeert dat het cassatieberoep ongegrond is en bevestigt daarmee de uitspraak van het gerechtshof. Er is geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten. Het arrest is op 24 december 2021 in het openbaar uitgesproken door de vijf raadsheren onder voorzitterschap van vice-president Koopman.

Uitkomst: Het beroep in cassatie van belanghebbende wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer20/03228
Datum24 december 2021
ARREST
in de zaak van
[X] te [Z], Verenigd Koninkrijk (hierna: belanghebbende)
tegen
de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Den Haag van 11 augustus 2020, nr. BK-19/00592 [1] op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Den Haag (nr. SGR 19/1144), betreffende de aan belanghebbende voor het jaar 2015 opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting.

1.Geding in cassatie

Belanghebbende, vertegenwoordigd door C.J. Roozen, heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld en daarbij een aantal middelen voorgesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris, vertegenwoordigd door [P], heeft een verweerschrift ingediend.
Namens belanghebbende is de zaak schriftelijk toegelicht door J.W.F. Bevers, advocaat te Amsterdam.
De Advocaat-Generaal R.E.C.M. Niessen heeft op 30 april 2021 geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het cassatieberoep. [2]
Belanghebbende heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.

2.Beoordeling van de middelen

2.1
De middelen 1, 2, 4 en 5 falen op de gronden die zijn vermeld in het arrest dat de Hoge Raad vandaag heeft uitgesproken in de zaak met nummer 20/03226 (ECLI:NL:HR:2021:1845), waarvan een geanonimiseerd afschrift aan dit arrest is gehecht.
2.2
Het derde middel kan evenmin tot cassatie leiden. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van het middel is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie).

3.Slotsom

Uit het hiervoor overwogene volgt dat het beroep in cassatie ongegrond moet worden verklaard.

4.Proceskosten

De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

5.Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president R.J. Koopman als voorzitter, en de raadsheren J. Wortel, A.F.M.Q. Beukers-van Dooren, M.T. Boerlage en P.A.G.M. Cools, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 24 december 2021.