ECLI:NL:RBNNE:2025:5002

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
25 november 2025
Publicatiedatum
9 december 2025
Zaaknummer
24/4404 en 24/4565
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 15 lid 3 belastingverdrag Nederland-ZwitserlandArt. 8 OESO-modelverdrag 2008Art. 15 lid 3 OESO-modelverdrag 2008Art. 8:75 lid 1 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Geen recht op aftrek elders belast voor loon maritiem engineer op pijpenlegschip volgens belastingverdrag met Zwitserland

Eiser, woonachtig in Nederland, werkte in 2018 en 2019 als maritiem engineer op een pijpenlegschip dat eigendom is van een Zwitserse werkgever. Hij verzocht om voorkoming van dubbele belasting via aftrek elders belast op grond van artikel 15, derde lid, van het belastingverdrag tussen Nederland en Zwitserland. De inspecteur wees dit verzoek af, waarna eiser beroep instelde.

De rechtbank beoordeelde of de werkzaamheden van eiser onder het genoemde artikel vallen, waarbij het uitgangspunt is dat het schip commercieel personen of goederen vervoert in internationaal verkeer. De rechtbank concludeerde dat het schip hoofdzakelijk pijpleidingen legt en dat het vervoer van personen en goederen slechts een bijkomstige functie is, waardoor geen aftrek elders belast toekomt.

Eiser voerde aan dat het begrip 'internationaal verkeer' ruim moet worden uitgelegd en verwees naar buitenlandse jurisprudentie, maar de rechtbank verwierp dit omdat het Nederlandse verdrag en jurisdictie gelden. Ook het beroep op het gelijkheidsbeginsel faalde omdat de situaties niet feitelijk en rechtens gelijk zijn.

Verder oordeelde de rechtbank dat de redelijke termijn van berechting in eerste aanleg met 8 maanden is overschreden, waardoor eiser recht heeft op een immateriële schadevergoeding van €1.000. Het verzoek van de inspecteur tot vergoeding van proceskosten wegens kennelijk onredelijk gebruik van procesrecht werd afgewezen.

De beroepen van eiser werden ongegrond verklaard, de aanslagen inkomstenbelasting 2018 en 2019 zijn terecht vastgesteld, en de inspecteur wordt veroordeeld tot betaling van de immateriële schadevergoeding.

Uitkomst: De beroepen worden ongegrond verklaard en eiser krijgt geen aftrek elders belast toegekend, maar wel een immateriële schadevergoeding van €1.000 wegens overschrijding van de redelijke termijn.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummers: LEE 24/4404 en 24/4565
uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 25 november 2025 in de zaken tussen

[eiser] , uit [woonplaats eiser] , eiser

en
de inspecteur van de Belastingdienst/Particulieren/Kantoor Eindhoven,de inspecteur,
(gemachtigde: [gemachtigde inspecteur] ).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepen van eiser tegen de uitspraken op bezwaar van de inspecteur van 1 oktober 2024.
Zaaknummer LEE 24/4565
1.1.
De inspecteur heeft aan eiser voor het jaar 2018 een aanslag in de inkomstenbelasting (IB) opgelegd naar uitsluitend een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 60.407. De inspecteur heeft een aftrek elders belast toegepast van € 9.181 (doorschuifregeling). Gelijktijdig met de vaststelling van de aanslag heeft de inspecteur eiser € 366 belastingrente in rekening gebracht.
Zaaknummer LEE 24/4404
1.2.
De inspecteur heeft aan eiser voor het jaar 2019 een aanslag IB opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 70.578. Gelijktijdig met de vaststelling van de aanslag heeft de inspecteur eiser € 1.328 belastingrente in rekening gebracht.
Beide zaaknummers
1.3.
De inspecteur heeft de bezwaren van eiser afgewezen.
1.4.
De inspecteur heeft op de beroepen gereageerd met een verweerschrift.
1.5.
De rechtbank heeft de beroepen op 16 september 2025 op een zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en de gemachtigde van de inspecteur.

Feiten

2. Eiser woonde in 2018 en 2019 in Nederland.
2.1.
Eiser is in 2018 en 2019 in dienstbetrekking werkzaam bij [werkgever eiser] . [werkgever eiser] is in Zwitserland gevestigd.
2.2.
Personeel van [werkgever eiser] werkt op schepen van de aan [werkgever eiser] gelieerde vennootschap [gelieerde vennootschap werkgever eiser] . Het hoofdkantoor van [gelieerde vennootschap werkgever eiser] bevindt zich in Zwitserland. Eén van de schepen van [gelieerde vennootschap werkgever eiser] is de [naam schip] . De [naam schip] is een pijpenlegschip dat oorspronkelijk gebouwd is als bulkcarrier en nadien is omgebouwd tot pijpenlegger. Dit betekent dat het schip bestemd is voor de installatie van onderzeese pijpleidingen voor olie- en gastransport. Daarnaast transporteert het schip de daarvoor benodigde onderdelen. De pijpen worden op het schip geladen, daarna getransporteerd en vervolgens gelast en gelegd op de zeebodem. De [naam schip] heeft een groter laadvolume dan andere pijpenlegschepen van [gelieerde vennootschap werkgever eiser] . Hierdoor kan zij meer pijpen vervoeren en is zij voor de bevoorrading van pijpen dus minder afhankelijk van transportschepen.
2.3.
Eiser heeft in 2018 en 2019 gewerkt op de [naam schip] als maritiem engineer.
2.4.
Eiser heeft in zijn aangiften IB/PVV 2018 en 2019 het ontvangen loon van [werkgever eiser] (het loon) als buitenlandse inkomsten uit tegenwoordige arbeid aangegeven. Voor het loon heeft eiser in de aangiften verzocht om voorkoming van dubbele belasting, namelijk een zogenoemde aftrek elders belast (aftrek elders belast).
2.5.
Bij het vaststellen van de onder 1.1. en 1.2. genoemde aanslagen heeft de inspecteur het verzoek om een aftrek elders belast voor het loon afgewezen.

Beoordeling door de rechtbank

3. De rechtbank beoordeelt of eiser voor de jaren 2018 en 2019 recht heeft op een aftrek elders belast voor het loon op basis van artikel 15, derde lid van het Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederland en de Zwitserse Bondsstaat tot het vermijden van dubbele belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen en het voorkomen van ontduiken en ontwijken van belasting van 26 februari 2010 (het Verdrag). Daarnaast beoordeelt de rechtbank of sprake is van een schending van het gelijkheidsbeginsel. Tot slot beoordeelt de rechtbank of eiser de door de inspecteur gemaakte proceskosten moet vergoeden.
4. De rechtbank is van oordeel dat niet aannemelijk is dat de werkzaamheden van eiser onder artikel 15, derde lid van het Verdrag vallen. De inspecteur heeft bij het opleggen van de aanslagen IB daarom terecht geen rekening gehouden met een aftrek elders belast voor het loon
.Naar het oordeel van de rechtbank is er geen sprake van schending van het gelijkheidsbeginsel. De rechtbank is van oordeel dat eiser de door de inspecteur gemaakte proceskosten niet hoeft te vergoeden. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot deze oordelen komt en welke gevolgen deze oordelen hebben.
Aftrek elders belast
Standpunten partijen
5. Eiser stelt dat zijn werkzaamheden vallen onder artikel 15, derde lid van het Verdrag. Het begrip ‘internationaal verkeer’ uit dit artikel moet volgens eiser ruim worden opgevat zodat alle activiteiten op internationale wateren hieronder vallen. Artikel 15, derde lid van het Verdrag hanteert volgens eiser een breder winstbegrip dan artikel 8 van Pro het Verdrag. Gelet hierop heeft de Hoge Raad het begrip ‘internationaal verkeer’ te beperkt uitgelegd in zijn arresten van 24 december 2021. [1] Ter motivering wijst eiser ook naar uitspraken van een Belgische en Zweedse rechter. Daarnaast wijst eiser erop dat de Hoge Raad ten onrechte een onderscheid heeft gemaakt tussen de hoofdactiviteit en activiteiten die hieraan bijkomstig zijn. Het modelverdrag en het commentaar hierop van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO) maken dit onderscheid volgens eiser niet. Bovendien is eiser van mening dat de transportfunctie van het schip wel degelijk een essentiële hoofdfunctie is en niet slechts bijkomstig. Gelet hierop stelt dat eiser dat het heffingsrecht voor het loon op grond van het Verdrag moet worden toegekend aan Zwitserland en in Nederland hiervoor een aftrek elders belast moet worden verleend.
5.1.
De inspecteur stelt dat de werkzaamheden van eiser niet onder artikel 15, derde lid van het Verdrag vallen. Hij stelt dat daarom terecht geen aftrek elders belast is verleend voor het loon. Ter motivering van zijn standpunt verwijst de inspecteur naar de arresten van de Hoge Raad van 24 december 2021 [2] en de daarna gedane uitspraken door lagere rechters. Ook wijst de inspecteur op de arresten van de Hoge Raad van 22 september 2023 [3] en 29 september 2023 [4] waarin de Hoge Raad de cassatieberoepen ongegrond heeft verklaard met toepassing van artikel 81, eerste lid van de Wet op de rechtelijke organisatie. De buitenlandse uitspraken waar eiser naar verwijst, kunnen volgens de inspecteur niet doorwerken naar de Nederlandse rechtsorde en zijn voor de beoordeling van het geschil daarom niet van belang. Ten slotte betwist de inspecteur dat de transportfunctie meer dan bijkomstig is aan de hoofdactiviteit.
Beoordelingskader
6. In artikel 15, derde lid van het Verdrag is bepaald dat de beloning belast mag worden in de verdragsluitende staat waar de werkelijke leiding van de onderneming is gelegen als sprake is van een dienstbetrekking die wordt uitgeoefend aan boord van een schip of luchtvaartuig dat in internationaal verkeer wordt geëxploiteerd.
6.1.
Uit de memorie van toelichting bij de invoeringswet van het Verdrag volgt dat met de tekst van het Verdrag zoveel mogelijk is aangesloten bij het OESO-modelverdrag 2008. [5] Dit volgt ook uit het feit dat de (vertaling van de) Engelse tekst van artikel 15, derde lid van het Verdrag exact overeenkomt met de (vertaling van de) tekst van artikel 15, derde lid van het OESO-modelverdrag 2008. Als een belastingverdrag is gebaseerd op de tekst van het OESO-modelverdrag, zoals in dit geval, dan is het officieel gepubliceerde commentaar bij het OESO-modelverdrag van grote betekenis. [6]
6.2.
In het officieel gepubliceerde commentaar bij artikel 15, derde lid van het OESO-modelverdrag 2008 is onder meer opgenomen:

Paragraph 3 applies to the remuneration of crews of ships or aircraft operated in international traffic, or of boats engaged in inland waterways transport, a rule which follows up to a certain extent the rule applied to the income from shipping, inland waterways transport and air transport, that is, to tax them in the Contracting State in which the place of effective management of the enterprise concerned is situated.
6.3.
Artikel 8 van Pro het OESO-modelverdrag 2008 gaat over de belasting van inkomsten uit “
Shipping, inland waterways transport and air transport”. De Engelse tekst van artikel 8 van Pro het Verdrag is gelijk aan de Engelse tekst van artikel 8 van Pro het OESO-modelverdrag 2008. Voor zover van belang is hierin opgenomen:

1. Profits from the operation of ships or aircraft in international traffic shall be taxable only in the Contracting State in which the place of effective management of the enterprise is situated.
6.4.
In het OESO-commentaar bij artikel 8, eerste lid van het OESO-modelverdrag is onder meer opgenomen:

4. The profits covered consist in the first place of the profits directly obtained by the enterprise from the transportation of passengers or cargo by ships or aircraft (whether owned, leased or otherwise at the disposal of the enterprise) that it operates in international traffic. However, as international transport has evolved, shipping and air transport enterprises invariably carry on a large variety of activities to permit, facilitate or support their international traffic operations. The paragraph also covers profits from activities directly connected with such operations as well as profits from activities which are not directly connected with the operation of the enterprise's ships or aircraft in international traffic as long as they are ancillary to such operation.
4.1
Any activity carried on primarily in connection with the transportation, by the enterprise, of passengers or cargo by ships or aircraft that it operates in international traffic should be considered to be directly connected with such transportation.
4.2
Activities that the enterprise does not need to carry on for the purposes of its own operation of ships or aircraft in international traffic but which make a minor contribution relative to such operation and are so closely related to such operation that they should not be regarded as a separate business or source of income of the enterprise should be considered to be ancillary to the operation of ships and aircraft in international traffic.
6.5.
Uit het OESO-commentaar bij artikel 15, derde lid van het OESO-modelverdrag 2008 (zie 6.2.) volgt dat dit artikellid samenhangt met en is gebaseerd op artikel 8 van Pro het OESO-modelverdrag 2008. Voor de uitleg van artikel 15, derde lid van het OESO-modelverdrag 2008 moet dus ook gekeken worden naar het OESO-commentaar bij artikel 8. Artikel 8, eerste lid van het OESO-modelverdrag 2008 ziet volgens het OESO-commentaar (zie 6.4.) in de eerste plaats op winsten die rechtstreeks verband houden met het vervoer van personen en goederen (the transportation of passengers or cargo) per schip in het internationaal verkeer. In paragraaf 4.1. en 4.2. van het OESO-commentaar bij artikel 8 (zie 6.4.) is opgenomen dat ook met dat vervoer samenhangende en aan dat vervoer bijkomstige activiteiten vallen onder de werking van dit artikel. Gelet op de grote betekenis van het OESO-commentaar (zie 6.1.), heeft dit naar het oordeel van de rechtbank ook te gelden bij de uitleg van artikel 15, derde lid van het Verdrag. [7]
Beoordeling door de rechtbank
7. De rechtbank stelt voorop dat op eiser de bewijslast rust om aannemelijk te maken dat zijn werkzaamheden vallen onder artikel 15, derde lid van het Verdrag, zodat een aftrek elders belast moet worden verleend voor het door eiser ontvangen loon. Eiser doet namelijk een beroep op een voor hem gunstige regeling.
7.1.
Voor de door eiser gewenste toepassing van artikel 15, derde lid van het Verdrag moet eerst komen vast te staan dat het schip commercieel (op winst gericht) personen of goederen vervoert als bedoeld in artikel 8 van Pro het OESO-modelverdrag. Als dat zo is, tellen ook met dat vervoer samenhangende en bijkomstige activiteiten mee. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat het schip als zodanig rechtstreeks winst maakt uit hoofde van dergelijke vervoersactiviteiten. Uit de in 2.2. en 2.3. opgenomen feiten volgt namelijk dat het schip waarop eiser werkzaam was, bestemd is voor het leggen van pijpleidingen voor olie- en gastransport. Door eiser is ter zitting ook verklaard dat opdrachtgevers de [naam schip] inschakelen met als doel om pijpleidingen op de zeebodem te laten leggen. De rechtbank overweegt dat dit de (hoofd)activiteit is van het schip. Het leggen van pijpleidingen op de zeebodem kan niet worden aangemerkt als het vervoer van personen en goederen (the transportation of passengers or cargo) per schip in het internationaal verkeer in de zin van het Verdrag. [8] De rechtbank overweegt dat het vervoer van personen en goederen aan boord van het schip samenhangend is met deze functie zoals bedoeld in het OESO-commentaar bij artikel 8 (zie 6.4.). Om een pijpleiding op de zeebodem te kunnen leggen zijn namelijk pijpen en personeel nodig. Het feit dat de [naam schip] een grotere laadcapaciteit heeft dan andere pijpenlegschepen van [gelieerde vennootschap werkgever eiser] , maakt naar het oordeel van de rechtbank niet uit. Het transport van personen en goederen aan boord van het schip is namelijk samenhangend met een activiteit die niet kan worden aangemerkt als het commercieel vervoeren van personen en goederen per schip in het internationaal verkeer in de zin van het Verdrag. [9]
7.2.
De stelling van eiser dat artikel 15 van Pro het Verdrag een breder winstbegrip hanteert dan artikel 8 van Pro het Verdrag slaagt niet. De rechtbank verwijst hiervoor naar dat wat zij in 6.2. tot en met 6.5. en in 7.1. heeft overwogen. De rechtbank volgt eiser ook niet in zijn stelling dat de Hoge Raad ten onrechte een onderscheid heeft gemaakt in hoofdactiviteiten en activiteiten die hieraan bijkomstig zijn, omdat het OESO-commentaar een dergelijk onderscheid niet zou kennen. Uit het OESO-commentaar (zie 6.4.) volgt juist dat onderscheid wordt gemaakt tussen een (hoofd)activiteit en activiteiten die hiermee samenhangen of hieraan bijkomstig zijn. Artikel 8 stelt Pro als voorwaarde dat er rechtstreeks winst uit vervoer moet zijn. Als dat zo is, telt ook de winst uit daarmee samenhangende of daaraan bijkomstige activiteiten mee (zie 6.4.).
7.3.
Wat betreft de in België en Zweden gewezen uitspraken overweegt de rechtbank dat deze uitspraken zien op andere belastingverdragen dan het hier toepasselijke Verdrag. Voor een beslissing in deze zaak hoeft de rechtbank alleen dat Verdrag uit te leggen. Interpretaties van buitenlandse rechters van (bepalingen uit) verdragen waarbij Nederland geen verdragspartij is, zijn voor die uitleg niet van belang.
7.4.
Gelet op dat wat in 7.1. tot en met 7.3. is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn werkzaamheden onder artikel 15, derde lid van het Verdrag vallen. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat de inspecteur bij het vaststellen van de aanslagen terecht geen aftrek elders belast heeft verleend voor het door eiser ontvangen loon.
Gelijkheidsbeginsel
Standpunten partijen
8. Eiser heeft gewezen op uitspraken van Belgische en Zweedse rechters, waaruit volgens hem een ruimere interpretatie volgt van het begrip ‘internationaal verkeer’. Het strenge Nederlandse standpunt leidt tot ongelijke behandeling van zeevarenden die op pijpenlegschepen werken.
8.1.
De inspecteur stelt dat eiser niet in een gelijke positie verkeert als iemand die onder een belastingverdrag valt waarbij Nederland geen partij is. Er is daarom volgens de inspecteur geen sprake van een schending van het gelijkheidsbeginsel.
Beoordeling door de rechtbank
9. Voor een geslaagd beroep op het gelijkheidsbeginsel moet sprake zijn van gelijke gevallen die ongelijk behandeld worden. Van gelijke gevallen is sprake als de gevallen feitelijk en rechtens gelijk zijn. Dit betekent dat de gevallen dezelfde (feitelijke) kenmerken moeten hebben en onder dezelfde wettelijke bepaling(en) moeten vallen.
9.1.
De rechtbank is van oordeel dat het beroep op het gelijkheidsbeginsel niet slaagt. Eiser is (misschien) wel
feitelijkgelijk aan zijn buitenlandse collega’s, maar hij valt onder een ander rechtsstelsel dan zijn Belgische en Zweedse collega’s. De Belgische en Zweedse rechters hebben geen uitleg gegeven over het Nederlandse Verdrag en mogen dit ook niet. De Belgische en Zweedse rechters hebben hier namelijk geen jurisdictie. Eiser kan geen aanspraak maken op recht dat hier niet geldt. Er is dus geen sprake van
rechtensgelijke gevallen. Hoewel de rechtbank begrip heeft voor het gevoel van eiser dat hij ongelijk wordt behandeld ten opzichte van (sommige van) zijn buitenlandse collega’s, kan dit niet tot een ander oordeel leiden, omdat de rechtbank dit niet kan meewegen.
Belastingrente
10. De beroepen worden geacht mede betrekking te hebben op de belastingrente. Eiser heeft geen zelfstandige gronden tegen de in rekening gebrachte belastingrente aangevoerd. De rechtbank ziet geen aanleiding af te wijken van de belastingrentebeschikkingen. Hierbij wijst de rechtbank eiser erop dat het bedrag van de belastingrente het bedrag van de aanslagen volgt.
Immateriële schadevergoeding
11. Eiser heeft ter zitting gesteld dat de procedure lang heeft geduurd en dat hij hier spanning door heeft ervaren. De rechtbank ziet hierin een verzoek om vergoeding van immateriële schade vanwege een overschrijding van de redelijke termijn van berechting in eerste aanleg. De inspecteur heeft gesteld dat de redelijke termijn niet is overschreden. Volgens de inspecteur moet de redelijke termijn worden verlengd, omdat sprake is van bijzondere omstandigheden. Eiser heeft namelijk meerdere keren verzocht om aanhouding van de bezwaarprocedure in afwachting van uitspraken van rechters in andere (vergelijkbare) procedures.
11.1.
De rechtbank overweegt dat de inspecteur het (eerst ingediende) bezwaarschrift voor het jaar 2018 heeft ontvangen op 29 september 2021. De rechtbank doet vandaag uitspraak. Dit betekent dat de berechting in eerste aanleg in totaal ongeveer 50 maanden heeft geduurd. De redelijke termijn waarbinnen berechting in eerste aanleg moet plaatsvinden is in beginsel 24 maanden. Deze termijn kan worden verlengd als sprake is van bijzondere omstandigheden. [10] Een bijzondere omstandigheid kan zich voordoen als de inspecteur de zaak aanhoudt in afwachting van een uitspraak in een procedure bij een rechter. De buiten beschouwing te laten periode bij de vraag of de redelijke termijn is overschreden begint op het moment waarop de inspecteur eiser schriftelijk in kennis heeft gesteld van de aanhouding van de bezwaarprocedure. De periode eindigt op het moment dat de uitspraak van de rechter openbaar is gemaakt of de inspecteur eiser in kennis heeft gesteld van de inhoud van die uitspraak. [11]
11.2.
Uit het dossier volgt dat de inspecteur op verzoek van eiser de bezwaarprocedure meerdere keren heeft aangehouden. De eerste aanhouding was in verband met de procedures bij de Hoge Raad die uiteindelijk hebben geleid tot de arresten van de Hoge Raad van 24 december 2021. [12] Omdat in het dossier geen schriftelijke bevestiging van de inspecteur aanwezig is dat hij de bezwaarprocedure in verband met deze procedures heeft aangehouden, kan de rechtbank de redelijke termijn niet met deze periode verlengen (zie 11.1.). De inspecteur heeft de bezwaarprocedure daarna nog twee keer aangehouden. De eerste keer heeft de inspecteur per mail op 1 februari 2022 bevestigd de behandeling van het bezwaar aan te houden in verband met een te verwachten uitspraak van Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Deze uitspraak is door het gerechtshof gepubliceerd op 29 juli 2022. [13] Vervolgens heeft de inspecteur per mail op 31 oktober 2022 medegedeeld de procedure aan te houden in verband met de cassatieprocedure die volgde op deze uitspraak van Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. De Hoge Raad heeft het arrest in deze zaak op 26 oktober 2023 gepubliceerd. [14] De rechtbank is daarom van oordeel dat de redelijke termijn met afgerond 18 maanden moet worden verlengd.
11.3.
De redelijke termijn waarbinnen berechting in eerste aanleg moet plaatsvinden is in dit geval 42 maanden. [15] De redelijke termijn is in dit geval daarom met 8 maanden overschreden. Eiser komt daarom in aanmerking voor een vergoeding van immateriële schade van € 1.000. [16] De overschrijding is volledig toe te rekenen aan de inspecteur. De rechtbank zal de inspecteur daarom veroordelen tot vergoeding van een bedrag van € 1.000. Voor het jaar 2019 kent de rechtbank geen afzonderlijke vergoeding van immateriële schade toe, omdat sprake is van samenhangende zaken. [17]
Proceskosten inspecteur
12. De inspecteur heeft verzocht om vergoeding van zijn proceskosten, omdat eiser volgens hem kennelijk onredelijk gebruik heeft gemaakt van het procesrecht als bedoeld in de derde volzin van artikel 8:75, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De inspecteur stelt dat eiser tegen beter weten in procedeert, omdat hij zich weigert neer te leggen bij eerdere oordelen van de Hoge Raad. Daarnaast stelt dat de inspecteur dat eiser erop uit is om een dubbele non-heffing te bewerkstelligen. Eiser heeft betwist dat sprake is van kennelijk onredelijk gebruik van procesrecht.
12.1.
De bestuursrechter is bij uitsluiting bevoegd een partij te veroordelen in de kosten die een andere partij in verband met onder meer de behandeling van het beroep bij de bestuursrechter redelijkerwijs heeft moeten maken. [18] Een natuurlijke persoon kan slechts in de kosten worden veroordeeld in geval van kennelijk onredelijk gebruik van procesrecht. Bij het aannemen van kennelijk onredelijk gebruik van het procesrecht past terughoudendheid, gelet op het recht op toegang tot de rechter dat onder meer door artikel 6 van Pro het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens wordt gewaarborgd. [19] Voor het aannemen van kennelijk onredelijk gebruik van het procesrecht zijn zwaarwichtige gronden nodig.
12.2.
De rechtbank overweegt dat in dit geval geen zwaarwichtige gronden aanwezig zijn en wijst het verzoek van de inspecteur om vergoeding van proceskosten daarom af. Hierbij neemt de rechtbank in aanmerking dat het beroep niet door eiser is ingesteld voor een overduidelijk ander doel dan waarvoor die bevoegdheid is gegeven. Bovendien heeft eiser niet eerder een vergelijkbare zaak bij de rechtbank ingediend. Daarnaast kunnen de feiten in deze zaak van eiser anders liggen dan de feiten zoals deze zijn vastgesteld in eerdere procedures. Andere feiten kunnen leiden tot een andere uitkomst bij de beoordeling van de toepassing van het Verdrag. De stelling van de inspecteur dat de feiten niet anders kunnen zijn, omdat de eisers in de verschillende procedures allemaal bij dezelfde werkgever ( [gelieerde vennootschap werkgever eiser] ) werkzaam zijn, volgt de rechtbank niet. [gelieerde vennootschap werkgever eiser] heeft verschillende schepen. De feiten moeten beoordeeld worden per belastingjaar en per schip. Bovendien kunnen de feiten onderling verschillen ook al is sprake van dezelfde werkgever. Eiser heeft in zijn beroepschrift en de reactie op het verweerschrift bovendien specifiek aandacht gehad voor de bestaande jurisprudentie en gewezen op de in zijn ogen aanwezige verschillen.

Conclusie en gevolgen

13. De beroepen zijn ongegrond. Dat betekent dat de aanslagen IB 2018 en 2019 terecht en naar de juiste bedragen zijn vastgesteld. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart de beroepen ongegrond;
- veroordeelt de inspecteur tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade aan eiser tot een bedrag van € 1.000.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.S. Langius, rechter, in aanwezigheid van
mr.M.A. Veenstra, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 25 november 2025.
griffier
rechter

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Hoge Raad 24 december 2021, ECLI:NL:HR:2021:1845 en Hoge Raad 24 december 2021, ECLI:NL:HR:2021:1981.
2.Hoge Raad 24 december 2021, ECLI:NL:HR:2021:1845 en Hoge Raad 24 december 2021, ECLI:NL:HR:2021:1981.
3.Hoge Raad 22 september 2023, ECLI:NL:HR:2023:1292.
4.Hoge Raad 29 september 2023, ECLI:NL:HR:2023:1479.
6.Hoge Raad 2 september 1992, ECLI:NL:HR:1992:ZC5045,
7.Zie ook r.o. 4.2.2. van Hoge Raad 24 december 2021, ECLI:NL:HR:2021:1845.
8.Zie Hoge Raad van 24 december 2021, ECLI:NL:HR:2021:1845, r.o. 4.2.2 en 4.2.3.
9.Zie r.o. 4.2.2 en 4.2.3. van het arrest van de Hoge Raad van 24 december 2021, ECLI:NL:HR:2021:1845.
10.Hoge Raad 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252, r.o. 3.5.1.
11.Hoge Raad 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252, r.o. 3.7.1 tot en met 3.7.6.
12.Hoge Raad 24 december 2021, ECLI:NL:HR:2021:1845 en Hoge Raad 24 december 2021, ECLI:NL:HR:2021:1981.
13.Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 19 juli 2022, ECLI:NL:GHARL:2022:6280.
14.HR 29 september 2023, ECLI:NL:HR:2023:1479.
15.24 + 18 maanden.
16.HR 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252.
17.HR 21 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:540.
18.Artikel 8:75, eerste lid van de Awb.
19.Vergelijk Hoge Raad 6 april 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV7828.