ECLI:NL:HR:2021:1845
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt belastingheffing Nederland over loon bemanning schip in bouwfase
Belanghebbende, woonachtig in Nederland, was in dienst van een Zwitserse werkgever en werkte aan boord van een schip dat in 2014 en 2015 in de bouwfase verkeerde. Dit schip was bestemd voor het leggen van pijpleidingen en verplaatsen van boorplatforms, maar voer in die jaren nog niet commercieel in internationaal verkeer.
De vraag was of het loon van belanghebbende voor die jaren onder artikel 15, lid 3, van het Belastingverdrag Nederland-Zwitserland viel, dat bepaalt dat loon uit arbeid aan boord van een schip in internationaal verkeer in de staat van leiding mag worden belast. Het Hof Den Haag oordeelde dat het schip niet in internationaal verkeer werd geëxploiteerd en kende het heffingsrecht toe aan Nederland.
Belanghebbende stelde in cassatie dat ook tijdens de bouwfase en vervoersbewegingen voorafgaand aan commerciële exploitatie het loon onder het verdragsartikel viel. De Hoge Raad volgde het Hof en het OESO-commentaar, dat het verdragsartikel ziet op commerciële exploitatie van schepen in internationaal verkeer, en verwierp het cassatieberoep.
De Hoge Raad motiveerde niet uitvoerig omdat beantwoording van de klacht niet noodzakelijk was voor de rechtsontwikkeling. Het beroep werd ongegrond verklaard en proceskosten werden niet toegewezen.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt ongegrond verklaard en het heffingsrecht over het loon blijft aan Nederland toekomen.