Conclusie
1.Het cassatieberoep
2.Het middel
Feiten en procesgang
(…)
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat klaagster niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in het klaagschrift.
OverwegingenUit het dossier en de behandeling in raadkamer komt naar voren dat het openbaar ministerie heeft meegewerkt aan de verkoop en levering van de woning zonder beslag, onder de voorwaarde dat een eventuele overwaarde als zekerheid als bedoeld in artikel 118a van het Wetboek van Strafvordering aan het openbaar ministerie wordt overgedragen, en dat klaagster met die voorwaarde heeft ingestemd.
Klaagster heeft de bij de verkoop van de woning gerealiseerde overwaarde als zekerheid aangeboden en zij is door het openbaar ministerie als zodanig aanvaard.
De medewerking die het openbaar ministerie heeft verleend houdt in dat de woning, onder zekerheidsstelling aan klaagster is teruggegeven, waarna klaagster de woning zonder het beslag aan een derde heeft kunnen verkopen en overdragen. Het beslag op de woning is daarmee geëindigd. Dit volgt uit artikel 134, tweede lid, aanhef en onder a, van het Wetboek van Strafvordering.
De zekerheidsstelling berust op de door klaagster aangeboden en door bet openbaar ministerie aanvaarde zekerheid – in de vorm van storting van de overwaarde van de woning op een rekening van het openbaar ministerie – als bedoeld in artikel 118a, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering. De gestelde zekerheid strekt tot verhaal voor de verplichting tot betaling van een geldbedrag ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel in de zin van artikel 94a van het Wetboek van Strafvordering. Voor de bevoegdheid van het openbaar ministerie dat ontnemingsbedrag te verhalen op de gestelde zekerheid is het niet nodig dat wordt aangenomen dat, ondanks beëindiging van het beslag door teruggave van de woning, strafvorderlijk conservatoir beslag is komen te rusten op die zekerheid. Het Wetboek van Strafvordering kent ook niet een bepaling waarin in zodanig beslag pp de gestelde zekerheid is voorzien. Artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering voorziet niet in de mogelijkheid tot beklag over (de uitvoering van) de door het openbaar ministerie aanvaarde zekerheidstelling. Voor geschillen over de uitvoering van de overeengekomen zekerheidstelling, de teruggave daaronder begrepen, is de burgerlijke rechter bevoegd (vgl. HR 16 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:612, en HR 19 februari 2008, ECLI:NL:HR:2008:BB9841).
Omdat het beslag op de woning is geëindigd dient klaagster niet-ontvankelijk te worden verklaard in het beklag. Wat in het klaagschrift verder haar voren is gebracht, behoeft geen bespreking.”
25 april 2019:
“Ik meen in elk geval dat hierin voldoende verantwoord is dat er terecht beslag is gelegd onder uw cliënte ten laste van verdachte [betrokkene 1]. Dit betekent ook dat het OM niet zal overgaan tot het opheffen van het beslag, zoals u verzoekt. Zoals gezegd werken wij wel mee aan de levering van het pand opdat uw cliënt tot feitelijke verkoop kan overgaan.”
3.Juridisch kader
“1. In geval van verdenking van een misdrijf, waarvoor een geldboete van de vijfde categorie kan worden opgelegd, kunnen voorwerpen inbeslaggenomen worden tot bewaring van het recht tot verhaal voor een ter zake van dat misdrijf op te leggen geldboete.
art. 118a
art. 134 Sv Pro
“1. Onder inbeslagneming van eenig voorwerp wordt verstaan het onder zich nemen of gaat houden van dat voorwerp ten behoeve van de strafvordering.
(Vgl. HR 19 februari 2018, ECLI:NL:HR:2008:BB9841)” [4]
4.Beoordeling van het middel
Vriendelijk verzoek ik u in het vervolg zich tot mij te wenden, ingeval het gaat om het gelegd beslag en u nadere vragen heeft. Mag ik u vragen of uw vraag voortkomt uw [sic] een (eventuele) boedelscheiding die (nog) moet plaatshebben?”