ECLI:NL:HR:2021:353

Hoge Raad

Datum uitspraak
9 maart 2021
Publicatiedatum
8 maart 2021
Zaaknummer
20/00418
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 289 SrArt. 26 lid 1 WWMArt. 36f SrArt. 6:4:20 SvArt. 81 lid 1 Wet op de rechterlijke organisatie
Verwijzingen
7 uitgaand · 3 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vermindering duur gijzeling bij schadevergoedingsmaatregelen tot wettelijk maximum van één jaar

In deze strafzaak ging het om de vraag of het gerechtshof ten onrechte de totale duur van gijzeling bij schadevergoedingsmaatregelen aan de slachtoffers mocht vaststellen op meer dan 360 dagen, terwijl de wet een maximum van één jaar voorschrijft.

De verdachte werd veroordeeld voor poging tot moord en het bezit van een vuurwapen. Het hof legde schadevergoedingsmaatregelen op aan de slachtoffers, waarbij bij niet-betaling gijzeling werd opgelegd voor respectievelijk 277, 60 en 25 dagen, wat gezamenlijk meer dan het wettelijk toegestane maximum van één jaar is.

De advocaat-generaal concludeerde tot vernietiging van het hofarrest alleen voor wat betreft de duur van de gijzeling. De Hoge Raad oordeelde dat het hof de duur van de gijzeling moest verminderen tot het wettelijk maximum van één jaar, waarbij het begrip 'jaar' in deze context werd uitgelegd als 360 dagen. De Hoge Raad vernietigde het arrest van het hof voor dit onderdeel en bepaalde de aangepaste gijzelingstermijnen van 276, 59 en 25 dagen respectievelijk.

Voor het overige werd het cassatieberoep verworpen. Hiermee werd de wettelijke regeling omtrent de maximale duur van gijzeling bij schadevergoedingsmaatregelen bevestigd en toegepast.

Uitkomst: De Hoge Raad vermindert de duur van de gijzeling bij schadevergoedingsmaatregelen tot maximaal één jaar.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer20/00418
Datum9 maart 2021
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag van 5 februari 2020, nummer 22-000717-19, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1993,
hierna: de verdachte.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben R.J. Baumgardt, P. van Dongen en S. van den Akker, allen advocaat te Rotterdam, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De advocaat-generaal D.J.M.W. Paridaens heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest maar uitsluitend wat betreft de beslissingen inzake de duur van de gijzeling, dat de Hoge Raad de duur van de gijzeling inzake de opgelegde schadevergoedingsmaatregelen kan verminderen in die zin dat is voldaan aan het wettelijk bepaalde maximum van één jaar en tot verwerping van het beroep voor het overige.

2.Beoordeling van het eerste cassatiemiddel

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie).

3.Beoordeling van het tweede cassatiemiddel

3.1
Het cassatiemiddel klaagt dat het hof ten aanzien van de opgelegde schadevergoedingsmaatregelen de (totale) duur van de gijzeling ten onrechte op meer dan 360 dagen heeft bepaald.
3.2.
Het hof heeft de verdachte de verplichting opgelegd, kort gezegd, om aan de Staat ten behoeve van de in het arrest genoemde slachtoffers [benadeelde 1] , [benadeelde 2] en [benadeelde 3] de in het arrest vermelde bedragen van respectievelijk € 48.523,71, € 5.000,00 en € 1.525,17 te betalen, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door respectievelijk 277, 60 en 25 dagen gijzeling.
3.3
Op grond van artikel 36f lid 5 van het Wetboek van Strafrecht bepaalt de rechter bij de oplegging van de maatregel de duur volgens welke met toepassing van artikel 6:4:20 van Pro het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) gijzeling kan worden toegepast. De duur van de gijzeling beloopt ten hoogste één jaar.
3.4
Het hof heeft arrest gewezen op 5 februari 2020. Om redenen zoals vermeld in de conclusie van de advocaat-generaal onder 22 en 23 werd in de periode tussen 1 januari 2020 en 25 juli 2020 in dit verband onder ‘jaar’ verstaan een tijd van 360 dagen. Daaruit volgt dat het cassatiemiddel terecht is voorgesteld. De Hoge Raad zal zelf de duur van de gijzeling aldus verminderen dat is voldaan aan het wettelijk bepaalde maximum van één jaar.

4.Beslissing

De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de gijzeling die is verbonden aan de schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van de in het arrest genoemde slachtoffers [benadeelde 1] , [benadeelde 2] en [benadeelde 3] ;
- bepaalt dat ten aanzien van de schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van [benadeelde 1] met toepassing van artikel 6:4:20 Sv Pro gijzeling voor de duur van 276 dagen kan worden toegepast;
- bepaalt dat ten aanzien van de schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van [benadeelde 2] met toepassing van artikel 6:4:20 Sv Pro gijzeling voor de duur van 59 dagen kan worden toegepast;
- bepaalt dat ten aanzien van de schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van [benadeelde 3] met toepassing van artikel 6:4:20 Sv Pro gijzeling voor de duur van 25 dagen kan worden toegepast;
- verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en A.E.M. Röttgering, in bijzijn van de waarnemend griffier S.P. Bakker, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
9 maart 2021.