Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het eerste cassatiemiddel
3.Beoordeling van het tweede cassatiemiddel
4.Beslissing
9 maart 2021.
Hoge Raad
In deze strafzaak ging het om de vraag of het gerechtshof ten onrechte de totale duur van gijzeling bij schadevergoedingsmaatregelen aan de slachtoffers mocht vaststellen op meer dan 360 dagen, terwijl de wet een maximum van één jaar voorschrijft.
De verdachte werd veroordeeld voor poging tot moord en het bezit van een vuurwapen. Het hof legde schadevergoedingsmaatregelen op aan de slachtoffers, waarbij bij niet-betaling gijzeling werd opgelegd voor respectievelijk 277, 60 en 25 dagen, wat gezamenlijk meer dan het wettelijk toegestane maximum van één jaar is.
De advocaat-generaal concludeerde tot vernietiging van het hofarrest alleen voor wat betreft de duur van de gijzeling. De Hoge Raad oordeelde dat het hof de duur van de gijzeling moest verminderen tot het wettelijk maximum van één jaar, waarbij het begrip 'jaar' in deze context werd uitgelegd als 360 dagen. De Hoge Raad vernietigde het arrest van het hof voor dit onderdeel en bepaalde de aangepaste gijzelingstermijnen van 276, 59 en 25 dagen respectievelijk.
Voor het overige werd het cassatieberoep verworpen. Hiermee werd de wettelijke regeling omtrent de maximale duur van gijzeling bij schadevergoedingsmaatregelen bevestigd en toegepast.
Uitkomst: De Hoge Raad vermindert de duur van de gijzeling bij schadevergoedingsmaatregelen tot maximaal één jaar.