ECLI:NL:HR:2021:360

Hoge Raad

Datum uitspraak
12 maart 2021
Publicatiedatum
9 maart 2021
Zaaknummer
19/05224
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 Wet op de rechterlijke organisatie
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad vernietigt aanslagen rioolheffing gemeente Oostzaan voor 2013 en 2014 wegens onjuiste kostenberekening

Belanghebbende maakte bezwaar tegen de aanslagen rioolheffing voor de jaren 2013, 2014 en 2015 opgelegd door de gemeente Oostzaan. Het geschil betrof de toepassing van de opbrengstlimiet en de vraag of bepaalde kostenposten, zoals perceptiekosten en kosten van het vegen van wegen, bij de berekening van de geraamde lasten mochten worden betrokken.

Het Gerechtshof Amsterdam oordeelde dat deze kosten wel konden worden meegeteld, maar de Hoge Raad stelde in cassatie vast dat deze kosten niet in de gemeentebegroting waren opgenomen en derhalve niet als lasten ter zake van de riolering mochten worden gerekend. Hierdoor was de opbrengstlimiet overschreden en waren de verordeningen voor 2013 en 2014 geheel respectievelijk partieel onverbindend.

De Hoge Raad vernietigde de uitspraken van het Hof en de Rechtbank voor zover deze betrekking hadden op de jaren 2013 en 2014, vernietigde de aanslag 2013 volledig en verminderde de aanslag 2014. Tevens werd het College veroordeeld in de proceskosten en tot vergoeding van het griffierecht aan belanghebbende.

De uitspraak bevestigt het belang van een correcte en transparante kostenberekening bij rioolheffingen en benadrukt de strikte toepassing van de opbrengstlimietregels.

Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt de aanslagen rioolheffing 2013 en 2014 wegens onjuiste kostenberekening en vermindert de aanslag 2014.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer19/05224
Datum12 maart 2021
ARREST
in de zaak van
[X] te [Z] (hierna: belanghebbende)
tegen
het COLLEGE VAN BURGEMEESTER EN WETHOUDERS VAN DE GEMEENTE OOSTZAAN
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 15 oktober 2019, nrs. 18/00268 tot en met 18/00270, op het hoger beroep van belanghebbende en het incidenteel hoger beroep van de heffingsambtenaar van de gemeente Oostzaan tegen een uitspraak van de Rechtbank Noord-Holland (nrs. HAA 17/4857 tot en met 17/4859) betreffende de aan belanghebbende voor de jaren 2013, 2014 en 2015 opgelegde aanslagen in de rioolheffing van de gemeente Oostzaan. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

1.Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Oostzaan (hierna: het College) heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.
Het College heeft een conclusie van dupliek ingediend. Aangezien deze conclusie bij de Hoge Raad na afloop van de daartoe gestelde termijn is ingediend, slaat de Hoge Raad op dit stuk geen acht.
De Advocaat-Generaal R.L.H. IJzerman heeft op 9 juli 2020 geconcludeerd tot gegrondverklaring van het beroep in cassatie. [1] Zowel belanghebbende als het College heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.

2.Beoordeling van het middel

2.1
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan. De heffingsambtenaar van de gemeente Oostzaan (hierna: de heffingsambtenaar) heeft aan belanghebbende voor het jaar 2013 een aanslag in de rioolheffing opgelegd ten bedrage van € 284.550 en voor het jaar 2014 een aanslag in de rioolheffing ten bedrage van € 288.533,70.
2.2.1
Voor het Hof was onder meer in geschil of in het kader van de opbrengstlimiet de geraamde baten ter zake van de rioolheffing voor de jaren 2013 en 2014 de geraamde lasten overtreffen en of om die reden de verordeningen op de heffing en de invordering van rioolheffing 2013 en 2014 (hierna: de Verordening 2013 respectievelijk de Verordening 2014) geheel dan wel partieel onverbindend zijn.
2.2.2
Het Hof heeft geoordeeld dat de volgende posten kunnen worden gerekend tot de ter zake van de riolering geraamde baten en lasten:
2.3.1
Het vierde middelonderdeel betoogt dat het Hof de perceptiekosten en de kosten van vegen van wegen niet in aanmerking had mogen nemen bij het bepalen van de ter zake van de riolering geraamde lasten, omdat deze kosten niet zijn verwerkt in de in de begroting van de gemeente opgenomen raming van baten en lasten van het riool.
2.3.2
Het middelonderdeel slaagt. Het Hof is, in cassatie onbestreden, ervan uitgegaan dat de perceptiekosten en de kosten van het vegen van wegen bij de vaststelling van de begroting van de gemeente niet in aanmerking zijn genomen als kosten die een last ter zake van de riolering vormen, maar dat dit nadien alsnog is gebeurd. Die handelwijze is niet toegestaan. [2] Het Hof had daarom bij de toetsing aan de opbrengstlimiet die kosten niet in aanmerking mogen nemen.
2.3.3
Voor het overige falen de middelonderdelen. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze onderdelen is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie).
2.4
De Hoge Raad kan de zaak afdoen.
2.4.1
Voor het jaar 2013 geldt het volgende. Indien geen rekening wordt gehouden met perceptiekosten en de kosten van vegen van wegen is er een overdekking van de geraamde lasten van € 136.403 (€ 1.145.800 aan geraamde baten - € 1.009.397 aan geraamde lasten). Dat is 13,5 procent van de geraamde lasten. De geraamde baten gaan dus 10 procent of meer uit boven het gecorrigeerde bedrag van de geraamde lasten. Dit leidt tot algehele onverbindendheid van de Verordening 2013. [3]
2.4.2
Voor het jaar 2014 geldt het volgende. Indien geen rekening wordt gehouden met perceptiekosten en de kosten van vegen van wegen is er een overdekking van de geraamde lasten van € 105.811 (€ 1.164.295 aan geraamde baten - € 1.058.484 aan geraamde lasten), dat is 9,996 procent van de geraamde lasten. Daarmee is de Verordening 2014 partieel onverbindend. De aanslag in de rioolheffing voor het jaar 2014 dient daarom te worden verminderd met een bedrag van € 28.841,85 tot € 259.691,85. [4]

3.Proceskosten

Het College zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie.

4.Beslissing

De Hoge Raad:
- verklaart het beroep in cassatie gegrond,
- vernietigt de uitspraak van het Hof, behalve de beslissingen omtrent de aanslag voor het jaar 2015, de proceskosten en het griffierecht,
- vernietigt de uitspraak van de Rechtbank, behalve de beslissingen omtrent de aanslag voor het jaar 2015, de proceskosten en het griffierecht,
- vernietigt de uitspraken op bezwaar inzake de aanslagen voor de jaren 2013 en 2014,
- vernietigt de aanslag voor het jaar 2013,
- vermindert de aanslag voor het jaar 2014 tot een bedrag van €259.691,85,
- draagt het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Oostzaan op aan belanghebbende te vergoeden het griffierecht dat belanghebbende voor de behandeling van het beroep in cassatie heeft betaald van € 519, en
- veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Oostzaan
in de kosten van belanghebbende voor het geding in cassatie, vastgesteld op € 3.605 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Dit arrest is gewezen door de vice-president R.J. Koopman als voorzitter, en de raadsheren M.A. Fierstra en P.A.G.M. Cools, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 12 maart 2021.

Voetnoten

2.HR 27 september 2019, ECLI:NL:HR:2019:1424, rechtsoverweging 2.3.3.
3.HR 13 april 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU7248.
4.4 HR 13 april 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU7248.