Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het eerste cassatiemiddel
3.Beoordeling van het tweede cassatiemiddel
4.Beslissing
12 januari 2021.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen het arrest van het gerechtshof Amsterdam van 8 juli 2019, waarin verdachte werd veroordeeld voor diefstal van circa 62.353 kWh elektriciteit ten behoeve van een hennepplantage. Het hof baseerde zijn bewezenverklaring op diverse bewijsmiddelen, waaronder proces-verbalen van politie en Liander N.V., waarin werd vastgesteld dat illegale elektriciteitsaansluitingen waren aangebracht.
De verdediging voerde aan dat verdachte weliswaar wist van de hennepplantage, maar niet zelf betrokken was bij het wegnemen van elektriciteit. De Hoge Raad oordeelde dat het onderdeel van de bewezenverklaring dat verdachte elektriciteit heeft weggenomen niet zonder meer uit de bewijsvoering kan worden afgeleid. De motivering van het hof is ontoereikend geacht.
Daarom vernietigt de Hoge Raad het arrest van het hof voor zover het betrekking heeft op de diefstal van elektriciteit en de strafoplegging, en wijst de zaak terug naar het hof Amsterdam voor hernieuwde berechting. Het beroep wordt voor het overige verworpen.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd en de zaak terugverwezen wegens onvoldoende bewijs diefstal elektriciteit.