Conclusie
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CONCLUSIE
“opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder Pro C van de Opiumwet gegeven verbod en opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder Pro B van de Opiumwet gegeven verbod”en 2.
“diefstal”en in de zaak met parketnummer 13-732032-16 ter zaken van
“in strijd met een hem bij wettelijk voorschrift opgelegde verplichting, opzettelijk nalaten tijdig de benodigde gegevens te verstrekken, terwijl het feit kan strekken tot bevoordeling van zichzelf, en terwijl hij weet dat de gegevens van belang zijn voor de vaststelling van zijn recht op die verstrekking of tegemoetkoming dan wel voor de hoogte of de duur van een dergelijke verstrekking of tegemoetkoming”veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 240 uren subsidiair 120 dagen hechtenis, met aftrek als bedoeld in artikel 27(a) Sr.
eerste middelklaagt dat de in de zaak met parketnummer 13-728043-16 onder 2 bewezen verklaarde diefstal van elektriciteit niet uit de bewijsmiddelen volgt, zodat de bewezenverklaring ontoereikend is gemotiveerd. Blijkens de toelichting op het middel klaagt het middel tevens dat de motivering van deze bewezenverklaring ontoereikend is vanwege hetgeen de verdediging ter terechtzitting heeft aangevoerd.
Feit I. hennep
zelfde elektriciteit heeft weggenomen. Indien de feitelijke vaststellingen van het hof erop duiden dat ook anderen dan de verdachte bij het feit betrokken zijn geweest, vereist het oordeel van het hof dat de verdachte die feiten niettemin zelf pleegde doorgaans onderbouwing. [4] Uit HR 22 januari 2019, ECLI:NL:HR:2019:42, en eveneens uit andere arresten van de Hoge Raad [5] leid ik af dat die nadere onderbouwing ook is vereist als de verdediging in hoger beroep heeft aangevoerd dat (ook) anderen bij de hennepteelt betrokken waren, terwijl deze betrokkenheid niet blijkt uit de feitelijke vaststellingen van het hof en het hof dat scenario dus (al dan niet expliciet) als onaannemelijk terzijde heeft geschoven. [6] Deze jurisprudentie van de Hoge Raad wijst uit dat de bewijslast niet mag worden omgedraaid.
“ongeveer een maand had”en dat er middels een illegale aansluiting op de elektrische installatie ten behoeve van de hennepkwekerij stroom was verbruikt. De verdediging had ter terechtzitting kort gezegd aangevoerd (1) dat tenlastegelegd was het al dan niet medeplegen van aanwezig hebben en telen van hennep en het al dan niet medeplegen van diefstal van elektriciteit, (2) dat de verdachte ontkende de kwekerij te hebben opgezet en iets te maken te hebben met de diefstal van de stroom en had verklaard
“dat weet ik niet, ik was daar niet bij”, en (3) dat de 'Turk en Marokkaan' dat hadden gedaan. De Hoge Raad vernietigde het bestreden arrest omdat
“mede gelet op hetgeen namens de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep is aangevoerd, de bewezenverklaring van het tenlastegelegde, voor zover inhoudende dat de verdachte elektriciteit heeft “weggenomen”, niet naar de eis der wet met redenen is omkleed”.
op of omstreeks 14 maart 2016”. Daardoor kon het hof niet een langere pleegperiode bewezen verklaren dan het heeft gedaan. Het voorgaande neemt niet weg dat uiteraard ook het gedurende één dag telen van hennep een strafbaar feit in de zin van artikel 3 onder Pro B, Opiumwet oplevert.
“sleutelen met de elektriciteit”.Ter terechtzitting in hoger beroep is aangevoerd dat de verdachte
“niet degene is geweest de hennepkwekerij heeft opgezet en heeft onderhouden”en dat dit wordt ondersteund door de stempels in het paspoort van de verdachte, waaruit blijkt dat hij
“zo nu en dan in het buitenland verbleef”.
tweede middelklaagt dat het verkorte arrest niet tijdig, dat wil zeggen op grond van artikel 365a Sv binnen vier maanden, is aangevuld.