ECLI:NL:HR:2021:500

Hoge Raad

Datum uitspraak
6 april 2021
Publicatiedatum
5 april 2021
Zaaknummer
19/05831
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 69.2 AWRArt. 81 lid 1 Wet op de rechterlijke organisatie
Verwijzingen
2 uitgaand · 3 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Cassatie over feitelijk leidinggeven aan medeplegen onjuiste aangifte loonbelasting

De zaak betreft een cassatieberoep van de verdachte tegen het arrest van het gerechtshof Den Haag, economische kamer, waarin hij werd veroordeeld voor feitelijk leidinggeven aan medeplegen van het doen van onjuiste aangifte loonbelasting door een rechtspersoon. De verdachte werd geconfronteerd met meerdere tenlasteleggingen op grond van artikel 69, tweede lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR).

In cassatie stelde de verdachte onder meer een bewijs- en competentieklacht aan de orde. De Hoge Raad oordeelde dat de economische kamer van het hof bevoegd was om de zaak te behandelen, ook al waren aan de verdachte alleen commune delicten ten laste gelegd en was de zaak in eerste aanleg behandeld door de meervoudige strafkamer van de rechtbank. Daarnaast verwierp de Hoge Raad de klachten over het bewijs, zonder nadere motivering, conform artikel 81, eerste lid, van de Wet op de rechterlijke organisatie.

De advocaat-generaal had geconcludeerd tot verwerping van het beroep, hetgeen de Hoge Raad volgde. Het arrest werd uitgesproken door de vice-president en twee raadsheren, en het beroep werd verworpen, waarmee het arrest van het hof in stand bleef.

Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde de veroordeling van de verdachte voor feitelijk leidinggeven aan medeplegen van onjuiste aangifte loonbelasting.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer19/05831 E
Datum6 april 2021
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag, economische kamer, van 17 december 2019, nummer 22-005818-16, in de strafzaak
tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1975,
hierna: de verdachte.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft Th.J. Kelder, advocaat te 's-Gravenhage, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De advocaat-generaal B.F. Keulen heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2.Beoordeling van de cassatiemiddelen

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie).

3.Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren J.C.A.M. Claassens en A.E.M. Röttgering, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
6 april 2021.