Conclusie
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CONCLUSIE
eerstemiddel klaagt dat de zaak in hoger beroep ten onrechte is behandeld en berecht door de economische kamer van het hof. In de toelichting wordt aangevoerd dat Uw Raad strikt vasthoudt aan het in de artikelen 52 WED en 64 Wet RO ‘gegeven bevoegdheidscriterium, inhoudende dat de bevoegdheid van de economische kamer in hoger beroep enkel afhankelijk is van de vraag of vonnis is gewezen door de economische kamer van de rechtbank’. Daarbij wijst de steller van het middel op HR 12 november 2013, ECLI:NL:HR:2013:1182.
NJ1968/95 was de verdachte, zo kon uit het van de zitting opgemaakte proces-verbaal worden afgeleid, wegens een economisch delict veroordeeld door de (gewone) politierechter. Uw Raad leidde uit (1) de omstandigheid dat de verdachte was gedagvaard om te verschijnen ter terechtzitting van de economische politierechter, (2) de omstandigheid dat Uw Raad ambtshalve bekend was dat de behandelend rechter lid was van de enkelvoudige economische kamer van de betreffende rechtbank en (3) het parketnummer van de inleidende dagvaarding (E 1911/66) af ‘dat ‘tengevolge van een abuis’ was nagelaten in het proces-verbaal van de terechtzitting in eerste aanleg, ‘voor welk p.-v. een gedrukt formulier is gebezigd’, voor het woord ‘Politierechter’ in te voegen ‘Economische’.
NJ2006/602. Daarin waren op de inleidende dagvaarding louter economische delicten vermeld. De zaak was, in overeenstemming met die dagvaarding, in eerste aanleg evenwel behandeld door een gewone strafkamer. Het hof stelde vast dat de rechters die het vonnis hadden gewezen ook deel uitmaakten van de economische kamer. En dat een mailbericht van de voorzitter van de strafsector inhield dat hen was ‘opgedragen als lid van de meervoudige economische strafkamer te fungeren’. A-G Vellinga ging er tegen die achtergrond vanuit dat het oordeel van het hof over de bevoegdheid van de rechtbank aldus moest worden begrepen ‘dat het proces-verbaal van de terechtzitting van de behandeling in eerste aanleg en het vonnis bij vergissing niet vermelden dat de zaak is behandeld en beslist door de economische strafkamer van de Rechtbank’. Dat oordeel was volgens Vellinga in het licht van het bepaalde in art 39 lid Pro 1 (oud) WED en de inhoud van het door het Hof aangehaalde mailbericht niet onbegrijpelijk. Uw Raad deed het middel af met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende formulering.
NJ2007/649 heeft Uw Raad geoordeeld dat zulks niet meebrengt dat bij rechtbanken de economische kamers niet langer als raadkamer functioneren. Daarbij wees Uw Raad erop dat art. 53 WED Pro bepaalt dat ‘op hofniveau de economische kamers als raadkamers optreden’. De bestreden beschikking hield niet in dat zij was gegeven door een economische raadkamer en het proces-verbaal van de daaraan voorafgegane behandeling in raadkamer bevatte evenmin een aanwijzing dat de zaak was behandeld door een economische raadkamer. Daarom moest het er volgens Uw Raad ‘voor worden gehouden dat de zaak niet is behandeld door een economische raadkamer’. De bestreden beschikking werd gecasseerd. [11]
tweedemiddel klaagt dat het hof het verweer dat de verdachte van het onder feit 3 subsidiair tenlastegelegde moet worden vrijgesproken omdat hij niet kan worden aangemerkt als feitelijk leidinggever ten onrechte, althans op ontoereikende gronden, heeft verworpen. En dat de bewezenverklaring van feit 3 subsidiair voor zover deze inhoudt dat de verdachte aan de verboden gedraging (telkens) feitelijk leiding heeft gegeven niet naar de eis der wet met redenen is omkleed.