ECLI:NL:HR:2021:503
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt geen recht op teruggaaf dividendbelasting voor Britse ICVC
Belanghebbende, een in het Verenigd Koninkrijk gevestigde ICVC, vorderde teruggaaf van ingehouden Nederlandse dividendbelasting over meerdere jaren. De Inspecteur wees dit af, en het geschil kwam uiteindelijk bij de Hoge Raad.
Het Gerechtshof 's-Hertogenbosch oordeelde dat belanghebbende niet vergelijkbaar is met een fiscale beleggingsinstelling (fbi) onder de Nederlandse Wet op de vennootschapsbelasting 1969, omdat de Britse regelgeving niet voorziet in heffing bij niet in het Verenigd Koninkrijk gevestigde aandeelhouders van een Britse beleggingsinstelling zonder feitelijke dividenduitkering.
De Hoge Raad bevestigde dit oordeel en verwees naar het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (arrest Deka) dat voorwaarden stelt aan teruggaaf van dividendbelasting aan niet-ingezeten beleggingsfondsen. De Hoge Raad oordeelde dat het oordeel van het hof over de Britse regelgeving niet in cassatie kan worden getoetst en verklaarde het beroep ongegrond.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt ongegrond verklaard en het beroep op teruggaaf van dividendbelasting wordt afgewezen.