ECLI:NL:HR:2021:504
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad over overdrachtsbelasting bij verkrijging juridische eigendom OZ-aandelen
In deze zaak stond centraal of de verkrijging van uitsluitend de juridische eigendom van aandelen in Nederlandse onroerendezaakrechtspersonen (OZ-aandelen) door een beheerder van een Duits Sondervermögen overdrachtsbelasting oplevert. Belanghebbende had in 2015 alle aandelen in drie Nederlandse OZ-rechtspersonen verkregen en daarvoor overdrachtsbelasting betaald. Het Hof oordeelde echter dat geen overdrachtsbelasting verschuldigd was omdat belanghebbende geen materieel belang had in de aandelen, aangezien het economische belang bij de participanten in het Sondervermögen lag.
De Hoge Raad stelt dat het begrip 'belang' in artikel 4, lid 3, letter b, WBR niet beperkt mag worden tot het economische belang, maar ziet op het verkrijgen van een wezenlijk aandelenpakket dat recht geeft op zeggenschap. De verkrijging van de juridische eigendom van de OZ-aandelen is belast, ook als het economische belang elders berust. De wetsgeschiedenis toont dat de beperking in artikel 4 WBR Pro alleen ziet op de omvang van het aandelenpakket en niet op het onderscheid tussen juridische en economische eigendom.
De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep gegrond, vernietigt de uitspraken van het Hof en de Rechtbank en verklaart het beroep op bezwaar ongegrond. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De verkrijging van de juridische eigendom van OZ-aandelen is belast met overdrachtsbelasting, ook als het economische belang elders berust.