Conclusie
1.Inleiding
Sondervermögenalle aandelen verworven in drie Nederlandse onroerende-zaakrechts-personen (OZRs) zoals bedoeld in art. 4(1) Wet belastingen van rechtsverkeer (Wet BvR). Alle drie de OZRs hebben slechts één soort aandelen uitgegeven.
Sondervermögenheeft naar Duits recht geen rechtspersoonlijkheid, zodat een fondsbeheerder nodig is om in rechte namens hem op te treden en juridisch eigendom te verwerven. Een
Sondervermögenis wel een afgescheiden vermogen. De belanghebbende belegt voor rekening en risico van het
Sondervermögenin onroerende zaken, en daarmee voor rekening en risico van de deelnemers in dat
Vermögen. Geen van die deelnemers is voor een derde of meer gerechtigd tot de opbrengsten of de waarde van de OZR-aandelen.
Rechtbankis geen overdrachtsbelasting verschuldigd omdat de belanghebbende geen enkel economisch belang bij de aandelen heeft verworven en daarmee geen ‘belang’ in de zin van 4(3)(b) Wet BvR.
Hofleidt in hoger beroep uit de parlementaire geschiedenis af dat de wetgever met de term “belang” een materieel, daadwerkelijk, direct of indirect belang bedoelde en dat bij de beoordeling daarvan alle relevante feiten en omstandigheden in aanmerking moeten worden genomen. De term beperkt zich niet tot aandelenbelangen ter zake waarvan gepoogd wordt overdrachtsbelasting te ontwijken door middel van constructies met soortaandelen. Onder de relevante feiten en omstandigheden valt ook het Duitse recht dat de verhoudingen tussen de belanghebbende, het
Sondervermögenen de beleggers beheerst. Het Hof acht belanghebbendes gerechtigdheid tot de OZR-aandelen naar Duits recht zó beperkt dat zij geen ‘belang’ bij de OZR-aandelen heeft als bedoeld in art. 4(3)(b) Wet BvR. Zij is daarom geen overdrachtsbelasting verschuldigd.
cassatiestelt de Staatssecretaris dat:
verweerbetoogt de belanghebbende ad (i) dat ‘belang’ in art. 4(3)(b) Wet BvR zuiver economisch moet worden opgevat, zodat kale juridische gerechtigdheid er niet onder valt. Uit niets blijkt dat het belangcriterium slechts relevant zou zijn als er soortaandelen zijn uitgegeven of dat slechts de statuten van de OZR relevant zouden zijn en niet de juridische positie van de verkrijger. Bij toepassing van art. 4(3)(b) Wet BvR kán geen rekening worden gehouden met kale juridische gerechtigdheid omdat dan 200% ‘belang’ in de OZR zou kunnen ontstaan: 100% economisch
plus100% juridisch. De belangtoets ziet niet op de aandelen, maar op de verkrijger, hetgeen blijkt uit het gegeven dat overdrachtsbelasting bij verkrijging van OZR-aandelen
steedsafhankelijk is van omstandigheden die de verkrijger betreffen, zoals de vraag of hij al OZR-aandelen heeft en of er verbonden natuurlijke personen of lichamen zijn die ook een OZR-belang hebben of verkrijgen. Niet valt in te zien dat alleen de OZR-statuten relevant zouden zijn en niet het dwingende (Duitse) recht dat belanghebbendes gerechtigdheid vergaand beperkt. Ad (ii) betoogt de belanghebbende dat art. 4 Wet Pro BvR een anti-ontgaansbepaling is, waarmee niet is beoogd te heffen bij verkrijging van belangen kleiner dan een derde in het vermogen van een OZR, zodat het niet geldt voor de participanten in het
Sondervermögen, die allen een kleiner belang verkregen.
onroerend goed. Art. 4 Wet Pro BvR fingeert dat ook OZR-aandelen onroerend goed zijn. Ook de juridische en economische verkrijging van
OZR-aandelenis dus belast. Om te voorkomen dat bij elke juridische of economische verkrijging van een OZR-aandeel overdrachtsbelasting geheven zou moeten worden, bepaalt art. 4(3) Wet BvR dat niet wordt geheven als de verkrijger/rechtspersoon niet minstens een derde ‘belang’ in de OZR heeft. Volgens de wetsgeschiedenis wordt daarmee bedoeld een ‘materieel’, ‘daadwerkelijk’, ‘economisch’ belang in de OZR. Wordt eenderde ‘belang’ niet gehaald, dan wordt dus niet de fictie ongedaan gemaakt (de gelijkstelling van OZR-aandelen met onroerend goed blijft gelden), maar wordt van heffing afgezien: een heffingsvrijstelling wegens
de minimis(om het beleggingsverkeer niet onnodig te hinderen) c.q. omdat geen sprake wordt geacht te zijn van overdrachtsbelastingontwijking.
kwaliteitvan het aandelenbezit, met name om de economische representativiteit van de aandelen voor het onroerende bezit van de OZR. Die representativiteit moet volgens de wetgever door de rechter beoordeeld worden op basis van alle daarvoor relevante feiten en omstandigheden. Dat betekent mijns inziens dat bezien moet worden in hoeverre de aandelen in de drie OZRs representatief zijn voor de bezittingen van de OZRs en de gerechtigdheid tot de voordelen uit die bezittingen (dus niet de verhouding waarin de verkrijger tot die aandelen staat; die vraag komt pas bij toepassing van art. 2 Wet Pro BvR aan de orde). Die representativiteit lijkt mij 100%, want er is maar één soort aandelen. Het gaat er bij deze beoordeling van de
kwaliteitvan het ‘belang’ dus niet om
wieverkrijgt of in welke rechtskundige verhouding die persoon tot de aandelen of tot derden staat, maar om
watde aandelen vertegenwoordigen: om de vraag of zij representatief zijn voor het onroerend goed van de OZR. Wie wat verkrijgt, en diens gelieerdheid met anderen, is pas relevant bij de bepaling van de
omvangvan de verkrijging (‘ten minste een derde gedeelte’) van dat waarde-representatieve ‘belang’ bij de toepassing van art. 2 Wet Pro BvR.
kwalitatiefgeen verschillende aandelen en er zijn evenmin gelieerde verkrijgers of andere aandeelhouders.
Kwalitatiefvertegenwoordigen de OZR-aandelen het volle ‘belang’ in de OZRs, en
kwantitatiefheeft de belanghebbende dat volle belang verkregen. Zij heeft hoe dan ook in de zin van art. 2 Wet Pro BvR de gehele
juridischegerechtigdheid verkregen tot een door art. 4 Wet Pro BvR gefingeerde onroerende zaak en zij wordt niet van heffing verschoond door de eenderde-grens in art. 4(3) Wet BvR.
2.De feiten en het geding in feitelijke instanties
De feiten
Kapitalverwaltungsgesellschaft. Op 28 oktober 2015 heeft zij bij notariële akte alle aandelen verkregen in drie Nederlandse OZRs zoals bedoeld in artikel 4(1)(a) Wet BvR (tot 2014: OZLs: onroerende-zaaklichamen; zie onderdeel 6.2 hieronder)
[D] Sondervermögen, nl. als
[D] Sondervermögen, als fondmanager de juridische gerechtigdheid tot de OZR-aandelen heeft verkregen.
NTFR2019/1128:
NLF2019/1173 het volgende aan bij uitspraak van de Rechtbank:
Belang verduidelijkt?
Kapitalanlagegesetzbuch; PJW; zie onderdeel 4 hieronder] en de Allgemeine en Besondere Anlagebedingungen [zie onderdeel 4 hieronder; PJW] van het SV [
Sondervermögen; PJW] volgt dat belanghebbende als beheerder van het SV geen aanspraak kan maken op de opbrengsten van de aandelen, hoewel die haar in juridische zin wel toekomen. Zij keert immers op grond van paragraaf 12 van de Besondere Anlagebedingungen alle opbrengsten uit aan haar participanten. Verder volgt uit deze bepalingen dat de aandelen in de onroerendezaakrechtspersonen niet tot het vermogen van belanghebbende zijn gaan behoren maar dat zij daarvan zijn afgezonderd. Hoewel belanghebbende wel in strikt juridische zin eigenaar is van de aandelen, zoals paragraaf 245 van het KAGB ook bepaalt, zijn die eigendomsrechten door de regeling in het KAGB en de Allgemeine en Besondere Anlagebedingungen zo sterk beperkt dat naar het oordeel van het Hof niet kan worden gezegd dat belanghebbende belang heeft bij de aandelen als bedoeld in artikel 4, derde lid, letter b van de WBR. Weliswaar mag belanghebbende als juridisch eigenaar van de aandelen het stemrecht in die aandelen uitoefenen, maar dat brengt naar het oordeel van het Hof nog niet mee dat belanghebbende daarmee ook het belang heeft bij die aandelen. Zij houdt de aandelen slechts voor rekening en risico van het SV dat zelf geen aandeelhouder kan zijn omdat zij geen rechtspersoonlijkheid heeft. Degenen die daadwerkelijk het belang bij de aandelen in de onroerendezaakrechtspersonen hebben, zijn de participanten in het SV.”
NTFR2020/983 het volgende aan bij de Hofuitspraak:
NLF2020/0666) achtte de Hofuitspraak juist:
3.Het geding in cassatie
cassatiemiddelvoor in twee onderdelen:
verweerbetoogt de belanghebbende ad middelonderdeel (i) dat de term ‘belang’ in art. 4(3)(b) Wet BvR zuiver economisch moet worden opgevat, zodat kale juridische gerechtigdheid er niet onder valt. De Staatssecretaris legt de parlementaire geschiedenis zijns inziens verkeerd uit. Weliswaar waren constructies met soortaandelen aanleiding voor de wijziging van art. 4 Wet Pro BvR, maar uit niets blijkt dat het economische ‘belang’-criterium in art. 4(3)(b) Wet BvR alleen relevant zou zijn bij verkrijging van soortaandelen: de economische benadering geldt voor alle situaties. Bij toepassing van art. 4(3)(b) Wet BvR kan geen rekening worden gehouden met juridische gerechtigdheid omdat anders een ‘belang’ van 200% in de onroerende zaken zou kunnen ontstaan; 100% economisch belang en 100% juridisch belang. De ‘belang’-toets moet niet worden toegepast op de interne betekenis van de aandelen, maar op het belang dat de belanghebbende c.q. (de beleggers in) het Sondervermögen verkrijgt (en al heeft). Daarom moet rekening worden gehouden met Duits recht, dat belanghebbendes gerechtigdheid vergaand beperkt.
4.Duits recht
Sondervermögenwordt beheerst door het Duitse
Kapitalanlagegesetzbuch(KAGB) en door zijn
Allgemeine Anlagebedingungenen
Besondere Anlagebedingungen. Zoals hieronder zal blijken, wordt de uitkomst van deze procedure mijns inziens niet bepaald door het Duitse recht dat de verhoudingen beheerst tussen de belanghebbende, het
Sondervermögenen de beleggers in het
Sondervermögen, maar volledigheidshalve citeer ik hetgeen het Hof daaromtrent in zijn uitspraak heeft opgenomen.
Allgemeine Anlagebedingungendie tussen belanghebbende en het SV gelden, bepalen - voor zover van belang - het volgende:
Besondere Anlagebedingungendie tussen belanghebbende en [D] Sondervermögen gelden, bepalen - voor zover van belang - het volgende:
5.Wettekst, parlementaire en wetsgeschiedenis
onroerende zaken; niet de verkrijging van (rechten op)
aandelenin vennootschappen die (rechten op) onroerende zaken bezitten. Eigenaren van onroerende zaken maakten daarvan gebruik om overdrachtsbelasting te vermijden door in plaats van belangen in onroerende zaken belangen in OZRs over te dragen. Om ook zulke indirecte verkrijging van onroerende zaken te kunnen belasten, heeft de wetgever al in 1933 (zie 5.5 hieronder) het object van heffing (onroerende zaken of rechten daarop) uitgebreid. Ook aandelen in bepaalde vennootschappen zijn als onroerende zaken aangemerkt.
Sondervermögenis gegaan. Van Straaten e.a. menen wel dat een redelijke wetstoepassing noopt tot toepassing van art. 13 Wet Pro BvR in een dergelijk geval van simultane gescheiden verkrijging van de economische en de juridische eigendom van hetzelfde (fictieve) onroerend goed. [31]
Art. 2(3) en (4) Wet BvR: verkrijging vanonroerend goeddoor (beheerders van) beleggingsfondsen
lichamen(OZL) in art. 4 Wet Pro BvR werd vervangen door onroerende-zaak
rechtspersonen(OZR) naar aanleiding van HR
BNB2005/52. [33] In dat arrest merkte u de verkrijging van participaties in rechtsvormen zonder rechtspersoonlijkheid niet aan als economische mede-eigendomsverkrijging van het onroerend goed geëxploiteerd door die rechtsvorm, maar uitsluitend als verkrijging van OZL-aandelen in de zin van art. 4 Wet Pro BvR. Art. 4 (fictieve onroerende zaken) was volgens u dus een
specialisten opzichte van art. 2(2) (economische eigendom). Gegeven het 1/3e belang-criterium in art. 4 konden Pro daardoor verkrijgingen van belangen kleiner dan 1/3e in zulke vehikels niet belast worden. De wetgever wilde verkrijging van kleinere participaties in onroerend goed echter wel degelijk belasten. Hij heeft daarom art. 4 Wet Pro BvR beperkt tot
rechtspersonen. Participaties in rechtsvormen zonder rechtspersoonlijkheid die vastgoed exploiteren zijn daardoor verplaatst van art. 4 Wet Pro BvR (fictieve onroerende zaak) naar art. 2(2) Wet BvR (economische eigendom van onroerend goed). Verkrijging van participaties in een lichaam zonder rechtspersoonlijkheid dat onroerend goed exploiteert (bijvoorbeeld van een commanditair aandeel in een commanditaire vennootschap op aandelen) is daardoor sindsdien belast als economische eigendomsverkrijging onder art. 2, waardoor de omvang van de participatie niet meer ter zake doet, net zomin als bij verkrijging van
juridischemede-eigendom van onroerend goed: verkrijging van juridische mede-eigendom van vastgoed is steeds belast, hoe klein ook de omvang van die mede-eigendom. De wetgever wilde hetzelfde bereiken bij economische mede-eigendom in de vorm van participaties in een rechtsvorm zonder rechtspersoonlijkheid, ongeacht of die rechtsvorm bewijzen van deelgerechtigdheid heeft uitgegeven. Hij achtte het echter ongewenst dat dan ook steeds overdrachtsbelasting verschuldigd zou zijn bij verkrijging van participaties in beleggings-fondsen en fondsen voor collectieve belegging in effecten (icbe’s) die in onroerend goed beleggen. Hij heeft daarom in de geciteerde leden 3 en 4 die verkrijging uitgezonderd van heffing onder lid 2, behalve (uitzondering op de uitzondering; terugkeer naar de hoofdregel van belastbaarheid) als de belegger een ‘belang’ van een derde of meer heeft/verkrijgt in het beleggingsvehikel zonder rechtspersoonlijkheid. De Mvt bij deze wetswijziging vermeldt daarover onder meer: [34]
economischemede-eigendom van
onroerend goed, terwijl art. 4(3) Wet BvR gaat over een
aandelenbelang in een
rechtspersoon(dat ingevolge art. 2 zowel Pro juridisch als economisch verkregen kan worden). Aldus ook de parlementaire geschiedenis: [35]
onroerend goeddat het fonds/icbe exploiteert, terwijl het bij OZR-aandelen gaat om een ‘materieel’ belang in een
rechtspersoondie onroerend goed exploiteert. Dit inzicht helpt ons echter niet veel verder, nu u u nog niet heeft kunnen uitlaten over de term ‘belang’ in art. 2(3) en (4) Wet BvR.
juridischeverkrijging van onroerend goed door de beherende vennoot van een commanditaire vastgoedvennootschap of door de beheerder van een vastgoedbeleggingsfonds of icbe steeds belast is, hoezeer hij ook slechts in het economische belang van de commandieten/beleggers verkrijgt, houdt en exploiteert. Gegeven dat de wetgever kennelijk ‘congruente’ behandeling van OZRs en vastgoed-beleggingsvehikels wilde, zou dit ervoor pleiten ook belast te achten de (slechts) juridische eigendomsverkrijging van
fictieveonroerende zaken (OZR-aandelen) door een icbe-beheerder ten behoeve van de beleggers.
Sondervermögen. De belanghebbende bestrijdt dat, onder overlegging van een
expert witnessverklaring, die inhoudt dat de belanghebbende naar Duits recht nooit de volle eigendom heeft verkregen, en dat hangt inderdaad mede van Duits recht af. Zoals in 5.22 bleek, menen Van Straaten e.a. dat desondanks art. 13 Wet Pro BvR toegepast zou moeten worden in een dergelijk geval.
Sondervermögen.
7.Jurisprudentie
BNB2005/52 als volgt. [38]
BNB2011/2, [39] over de vraag of voor de vrijstelling bij interne reorganisatie (art. 15(1)(h) (oud) Wet BvR) onder ‘bezit van aandelen’ in de toenmalige concernbepaling (art. 5b(2(oud) Uitvoeringsbesluit BvR) ook certificaatrechten begrepen konden worden. U beantwoordde die vraag bevestigend.
nietbelast is. Het gaat slechts over de vraag of certificering van de aandelen in een dochtervennootschap ertoe leidde dat die dochter voor de interne-reorganisatievrijstelling niet meer tot het concern behoorde wegens onvoldoende economisch belang van de moeder/certificaathouder bij die dochter omdat het stemrecht elders berust. De vraag of certificaten een fictieve onroerende zaak kunnen zijn is een andere vraag dan de vraag of de (nog niet gecertificeerde) aandelen ‘belang’-aandelen zijn. U zie ook de uiteenzetting van Van Straaten e.a. in 8.3 hieronder.
8.Literatuur
Leidt certificering van art. 4-aandelen ertoe dat de aandelen geen kwalitatief belang meer vertegenwoordigen?
kwalitatiefen
kwantitatiefbelang: [42]
5.6.2 Aandelen die een materieel belang vertegenwoordigen (belangaandelen)
geplaatste aandelenkapitaalbepaald of een verkrijging voldoet aan de substantieelbelangeis.
9.Behandeling van het middel
dezezaak uiteindelijk niet moeilijk te beslissen.
onroerend goed. Art. 4 Wet Pro BvR fingeert vervolgens dat OZR-aandelen onroerend goed zijn. Ook de juridische en economische verkrijging van
OZR-aandelenis dus belast alsof het om onroerend goed gaat. Om te voorkomen dat bij elke juridische of economische verkrijging van een OZR-aandeel overdrachtsbelasting geheven zou moeten worden, bepaalt art. 4(3) Wet BvR dat ‘bij toepassing van’ de fictie van lid 1 ‘alleen belasting (wordt) geheven’ als de verkrijger/rechtspersoon minstens een derde ‘belang’ in de OZR heeft. Volgens de wetsgeschiedenis wordt daarmee bedoeld een ‘materieel’, ‘daadwerkelijk’, ‘economisch’ belang in de OZR (en daarmee, zo is de vooronderstelling, bij diens onroerend goed). Wordt dat eenderde ‘belang’ niet gehaald, dan wordt dus niet de fictie ongedaan gemaakt (de gelijkstelling van OZR-aandelen met onroerend goed blijft gelden), maar wordt van heffing afgezien, vergelijkbaar met een heffingsvrijstelling wegens
de minimis.
kwaliteitvan het ‘belang’ niet om
wieverkrijgt of in welke contractuele verhouding die persoon tot de aandelen of tot derden staat, zoals de belanghebbende betoogt, maar om
watde aandelen vertegenwoordigen: om de vraag of zij representatief zijn voor het onroerend goed van de OZR.
Wiewat verkrijgt in verband met gelieerdheid met anderen die mogelijk ook OZR-aandelen houden of verkrijgen, is pas van belang bij de bepaling van de
omvangvan de verkrijging (‘ten minste een derde gedeelte’) voor de toepassing van art. 2 Wet Pro BvR. Eerst moet de
kwaliteitvan het aandelenbelang bepaald worden (niet-representatieve aandelen moeten veronachtzaamd worden); pas daarna kan voor de toepassing van art. 2 Wet Pro BvR bepaald worden welke
omvangin dat ‘belang’ door
wiewordt verkregen, mede in het licht van de omvang van de - juridische of economische - gerechtigdheid van gelieerde personen tot datzelfde kwalitatieve belang.
Kwalitatiefvertegenwoordigen de OZR-aandelen het volle belang in de OZRs, en
kwantitatiefheeft de belanghebbende dat volle belang verkregen, in elk geval juridisch, hetgeen volgens art. 2 Wet Pro BvR voldoende is om in de heffing te vallen.
curs. PJW):
medeverstaan […] degene die rechthebbende is op de economische eigendom van dat belang. […]’’
juridischegerechtigdheid verkregen tot een door art. 4 Wet Pro BvR gefingeerde onroerende zaak en zij wordt niet van heffing verschoond door de eenderde-grens in art. 4(3) Wet BvR omdat zij boven die grens zit. Daarmee lijkt mij haar verkrijging belast.