Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het cassatiemiddel
3.Beslissing
13 april 2021.
Hoge Raad
De zaak betreft een verdachte die werd veroordeeld voor openlijke geweldpleging tegen een steward in het Willem II stadion te Tilburg. Het hof baseerde zijn oordeel mede op eigen waarneming van camerabeelden tijdens de terechtzitting, waarbij werd vastgesteld dat verdachte meerdere malen duwende bewegingen maakte richting de steward en betrokken bleef bij het geweld.
De verdachte stelde in cassatie dat hij door het gebruik van de eigen waarneming van het hof als bewijs werd verrast, omdat de inhoud daarvan niet expliciet ter zitting was besproken. De Hoge Raad herhaalde de criteria uit eerdere jurisprudentie dat eigen waarneming als bewijsmiddel alleen mag worden gebruikt indien deze bij de terechtzitting is gedaan en partijen de gelegenheid hebben gehad zich hierover uit te laten.
De Hoge Raad concludeerde dat het procesverloop, waaronder het bespreken van een proces-verbaal waarin de politie melding maakte van duwende bewegingen en de verklaringen van verdachte en zijn raadsman over de camerabeelden, maakte dat de verdediging niet werd verrast door het gebruik van de eigen waarneming. De waarneming van het hof week niet wezenlijk af van het besproken bewijsmateriaal. Daarom werd het cassatiemiddel verworpen en het beroep afgewezen.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen; het gebruik van eigen waarneming als bewijsmiddel door het hof is niet onrechtmatig.