ECLI:NL:HR:2021:520
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Beoordeling aftrek premies lijfrente bij overdracht onderneming en geldlening
Belanghebbende, voormalig beherend vennoot van een commanditaire vennootschap, bracht zijn onderneming in een nieuw opgerichte BV in en boekte bedrijfspanden over naar privé, die vervolgens aan de BV ter beschikking werden gesteld. In verband met de overdracht bedong hij lijfrenten bij de BV ter afwikkeling van stakingswinst en fiscale oudedagsreserves, waarvoor een premie van €303.045 werd overeengekomen.
Belanghebbende stortte het bedrag op de bankrekening van de BV, waarna de BV vrijwel direct hetzelfde bedrag als lening aan belanghebbende terugstortte. Het geschil betrof de fiscale aftrekbaarheid van deze premies. Het Hof kwalificeerde de rechtshandelingen als het schuldig blijven van lijfrentepremies, waardoor aftrek niet mogelijk is volgens artikel 3.130, lid 1, Wet IB 2001.
De Hoge Raad bevestigde deze kwalificatie en oordeelde dat het economische resultaat van de transacties gelijkstaat aan het schuldig blijven van de premies, ook al was de schuld rentedragend en waren de voorwaarden zakelijk. Het cassatieberoep werd ongegrond verklaard, waarmee de uitspraak van het Hof stand hield.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt ongegrond verklaard en de aftrek van de premies wordt geweigerd.