ECLI:NL:HR:2021:412
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Beoordeling fiscale aftrekbaarheid van lijfrentepremies bij overdracht onderneming aan BV
Belanghebbende, voormalig beherend vennoot van een commanditaire vennootschap, bracht zijn onderneming in een BV in en stelde lijfrenten vast voor stakingswinst en fiscale oudedagsreserves. Hij stortte premies op de BV, die deze premies vrijwel direct als lening terugbetaalde.
Het Hof kwalificeerde deze rechtshandelingen fiscaal als het schuldig blijven van lijfrentepremies, waardoor aftrek van deze premies niet mogelijk is volgens artikel 3.130, lid 1, Wet IB 2001. Belanghebbende stelde dat het Hof buiten de rechtsstrijd trad door deze zelfstandige fiscale kwalificatie toe te passen zonder hoor en wederhoor.
De Hoge Raad oordeelde dat het Hof binnen zijn taak bleef door het feitencomplex te waarderen en de fiscale gevolgen daarvan te bepalen. Het beroep in cassatie werd ongegrond verklaard. Er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt ongegrond verklaard en de fiscale kwalificatie van het schuldig blijven van lijfrentepremies wordt bevestigd.