ECLI:NL:HR:2021:523
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt afwijzing aftrek lijfrentepremies bij schuldig blijven premies
Belanghebbende, voormalig beherend vennoot van een commanditaire vennootschap, bracht zijn onderneming in een BV onder en stelde lijfrenten vast voor stakingswinst en fiscale oudedagsreserves. Hij stortte premies op de BV, die deze premies vrijwel direct als lening aan hem terugbetaalde.
Het Hof kwalificeerde deze transacties fiscaal als het schuldig blijven van lijfrentepremies, waardoor aftrek van deze premies op grond van artikel 3.130, lid 1, Wet IB 2001 niet mogelijk is. Het Hof motiveerde dat de economische werkelijkheid gelijk is aan het niet daadwerkelijk betalen van de premies, ondanks de formele stortingen.
Belanghebbende stelde in cassatie dat deze kwalificatie onjuist was, maar de Hoge Raad verwierp dit verweer en sloot aan bij de overwegingen van een gelijktijdig arrest (ECLI:NL:HR:2021:412). De Hoge Raad bevestigde daarmee de fiscale grenzen aan aftrekbaarheid van lijfrentepremies wanneer deze feitelijk niet zijn voldaan.
De Hoge Raad wees het beroep in cassatie af en veroordeelde belanghebbende niet in de proceskosten. Dit arrest bevestigt de strikte toepassing van artikel 3.130, lid 1, Wet IB 2001 en benadrukt dat economische realiteit prevaleert boven formele transacties.
Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt ongegrond verklaard en de aftrek van de lijfrentepremies wordt afgewezen.