Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het eerste en het tweede cassatiemiddel
3.Beoordeling van het derde cassatiemiddel
4.Beslissing
19 januari 2021.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een uitspraak van het gerechtshof 's-Hertogenbosch over een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ten laste van de betrokkene.
De betrokkene stelde cassatiemiddelen in, waaronder een klacht over de overschrijding van de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM Pro, omdat stukken te laat door het hof waren ingezonden. De advocaat-generaal concludeerde tot vernietiging van de uitspraak van het hof, maar alleen wat betreft de hoogte van de betalingsverplichting, met vermindering daarvan naar een gebruikelijke maatstaf.
De Hoge Raad oordeelde dat de klachten over de uitspraak van het hof niet tot vernietiging konden leiden, behalve de klacht over de redelijke termijn. Gezien de overschrijding van meer dan twee jaar na het instellen van het cassatieberoep, werd de betalingsverplichting verminderd van €391.909 naar €386.909.
De Hoge Raad vernietigde dus het hofuitspraak uitsluitend voor de hoogte van de betalingsverplichting en verwierp het beroep voor het overige. Dit arrest werd gewezen door de vice-president en raadsheren van de Hoge Raad op 19 januari 2021.
Uitkomst: De Hoge Raad vermindert de betalingsverplichting tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel wegens overschrijding van de redelijke termijn.