ECLI:NL:HR:2021:664

Hoge Raad

Datum uitspraak
23 april 2021
Publicatiedatum
23 april 2021
Zaaknummer
20/03185
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 26a AWR
Verwijzingen
2 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad verklaart beroep in cassatie niet-ontvankelijk wegens ontbreken verklaring erfrecht

In deze zaak hebben de erfgenamen van een overledene beroep in cassatie ingesteld tegen een uitspraak van de Rechtbank Noord-Holland inzake een belastingaanslag over 2015. De Hoge Raad heeft het beroep in cassatie beoordeeld op ontvankelijkheid.

De gemachtigde van de erfgenamen werd verzocht een verklaring van erfrecht of een verklaring van een executeur-testamentair te overleggen om aan te tonen dat hij namens alle erfgenamen optreedt. Dit verzoek is niet ingewilligd en er is geen voldoende bewijs geleverd dat de gemachtigde bevoegd was om het beroep in cassatie in te stellen namens alle erfgenamen.

Daarom heeft de Hoge Raad het beroep in cassatie niet-ontvankelijk verklaard op grond van artikel 26a van de Algemene wet inzake rijksbelastingen. Er is geen proceskostenveroordeling uitgesproken. Het arrest is op 23 april 2021 in het openbaar gewezen door de raadsheren Wortel, Beukers-van Dooren en Cools.

Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van een verklaring van erfrecht of executeur-testamentair.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer20/03185
Datum23 april 2021
ARREST
in de zaak van
de ERGENAMEN VAN [A], gewoond hebbende te [Z], (hierna: belanghebbenden), vertegenwoordigd door J.A. Klaver,
tegen
de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN, vertegenwoordigd door [P],
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van de Rechtbank Noord-Holland van 7 augustus 2020, nr. HAA 19/5428 V, op het verzet van belanghebbenden tegen de uitspraak van de Rechtbank van 27 januari 2020 betreffende de aan [A] voor het jaar 2015 opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen.

1.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep in cassatie

Het beroep in cassatie is volgens het beroepschrift ingesteld door J.A. Klaver (Werkkollektief Hoorn) als gemachtigde van de erfgenamen van [A]. De griffier van de Hoge Raad heeft de indiener van het beroep in cassatie daarop verzocht om binnen vier weken onder meer een verklaring van erfrecht over te leggen, of – in het geval een executeur–testamentair is aangesteld – een verklaring van de executeur-testamentair waaruit blijkt wat de wens is van alle erfgenamen ten aanzien van de onderhavige procedure. Dat verzoek is aan de indiener van het beroepschrift gedaan via een op 1 december 2020 in het webportaal van de Hoge Raad geplaatst bericht.
De indiener van het beroepschrift heeft geen verklaring van erfrecht overgelegd, noch een verklaring van een executeur-testamentair. Ook met hetgeen wel is overgelegd kan niet worden vastgesteld dat de gemachtigde namens alle erfgenamen van erflater optreedt. Het beroep in cassatie moet daarom op grond van artikel 26a AWR niet-ontvankelijk worden verklaard. [1]

2.Proceskosten

De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

3.Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie niet-ontvankelijk.
Dit arrest is gewezen door de raadsheer J. Wortel als voorzitter, en de raadsheren A.F.M.Q. Beukers-van Dooren en P.A.G.M. Cools, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 23 april 2021.

Voetnoten

1.vergl. HR 2 oktober 2020, ECLI:NL:HR:2020:1531.