ECLI:NL:HR:2020:1531
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid beroep in cassatie wegens ontbreken machtiging erfgenamen
De erfgenamen van de overledene [A] hebben beroep in cassatie ingesteld tegen een uitspraak van de Rechtbank Noord-Holland inzake een aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen over het jaar 2015. De Hoge Raad heeft het beroep in cassatie beoordeeld op ontvankelijkheid.
De indiener van het beroep, een gemachtigde van de erfgenamen, heeft geen verklaring van erfrecht of een verklaring van een executeur-testamentair overgelegd, ondanks een verzoek daartoe door de griffier. Wel zijn machtigingen van de kinderen van de overledene en enkele andere documenten overgelegd, maar deze zijn onvoldoende om vast te stellen dat de gemachtigde namens alle erfgenamen optreedt.
Op grond van artikel 26a van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) is het beroep in cassatie daarom niet-ontvankelijk verklaard. De Hoge Raad merkt op dat personen met beperkte financiële draagkracht mogelijk een tegemoetkoming kunnen krijgen in de kosten van een verklaring van erfrecht op grond van artikel 56, lid 2, letter c, van de Wet op het notarisambt.
De Hoge Raad heeft geen proceskosten opgelegd en sprak het arrest uit op 2 oktober 2020.
Uitkomst: Het beroep in cassatie is niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van een geldige machtiging of verklaring van erfrecht.