Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het eerste cassatiemiddel
3.Beoordeling van de cassatiemiddelen voor het overige
4.Beslissing
11 mei 2021.
Hoge Raad
In deze strafzaak werd de verdachte ervan beschuldigd op 25 december 2017 een inzittende van zijn taxi in het gezicht te hebben gespuugd, hetgeen werd gekwalificeerd als eenvoudige belediging. Het hof Amsterdam had het verzoek van de verdediging om twee getuigen te horen afgewezen, omdat hun verklaringen slechts als steunbewijs dienden voor een foto waarop spuug zichtbaar was.
De verdediging betwistte de schuld van de verdachte en benadrukte dat het essentieel was de getuigen te horen om de betrouwbaarheid van hun verklaringen te toetsen. De Hoge Raad overwoog dat het hof onvoldoende had gemotiveerd waarom het horen van de getuigen niet noodzakelijk was, terwijl de verklaringen belastend waren en de verdediging het ondervragingsrecht niet had kunnen uitoefenen.
De Hoge Raad verwees naar eerdere jurisprudentie waarin is gesteld dat in dergelijke gevallen het belang bij het horen van getuigen wordt voorondersteld en dat het hof moet nagaan of de procedure voldoet aan het recht op een eerlijk proces zoals gewaarborgd in artikel 6 EVRM Pro. Gezien het ontbreken van een dergelijke motivering vernietigde de Hoge Raad het arrest en verwees de zaak terug naar het hof Amsterdam voor een nieuwe berechting.
Uitkomst: Het arrest van het hof Amsterdam wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde berechting.