Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het cassatiemiddel
3.Beslissing
18 mei 2021.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Hoge Raad
De verdachte werd door het hof Amsterdam veroordeeld wegens het opzettelijk niet voldoen aan de aangifteplicht bij het vervoeren van €10.000 of meer liquide middelen bij vertrek uit de EU. Het hof baseerde zich op de verklaring van de verdachte dat hij dacht €9.000 bij zich te hebben, terwijl het werkelijke bedrag €10.000 bedroeg. Het hof oordeelde dat de verdachte de biljetten had moeten tellen en daardoor voorwaardelijk opzet had op het niet doen van aangifte.
De verdachte stelde in cassatie dat het hof ten onrechte aannam dat het moeten tellen van biljetten automatisch betekent dat hij bewust de aanmerkelijke kans aanvaardde dat hij €10.000 bij zich droeg. De Hoge Raad oordeelde dat het oordeel van het hof niet zonder meer begrijpelijk is, mede gelet op de verklaring van de verdachte ter terechtzitting, en dat het hof onvoldoende heeft gemotiveerd waarom het moeten tellen leidt tot bewust aanvaarden van die kans.
Daarom vernietigde de Hoge Raad het arrest van het hof en verwees de zaak terug naar het hof Amsterdam voor een nieuwe berechting en beslissing. De uitspraak benadrukt het belang van een zorgvuldige motivering bij het vaststellen van voorwaardelijk opzet in strafzaken over aangifteplichten bij grensoverschrijdend vervoer van liquide middelen.
Uitkomst: Het arrest van het hof Amsterdam wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde berechting.