ECLI:NL:PHR:2021:193
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Vernietiging arrest wegens onjuiste bewezenverklaring voorwaardelijk opzet bij niet-aangifte contant geld
De verdachte werd door het hof Amsterdam veroordeeld voor het opzettelijk niet doen van aangifte van een geldbedrag van €10.000 bij het verlaten van de EU, terwijl hij slechts €9.000 dacht bij zich te hebben. Het hof oordeelde dat de verdachte voorwaardelijk opzet had omdat hij het geld had moeten tellen en bewust de aanmerkelijke kans aanvaardde dat het bedrag €10.000 of meer was.
De Hoge Raad stelt dat het hof zich heeft bediend van een voorwaardelijk opzet formulering die feitelijk gebaseerd is op onvoorzichtigheid (culpa) en niet op het willens en wetens aanvaarden van de aanmerkelijke kans. De verdachte ging ervan uit minder dan €10.000 bij zich te hebben en het hof heeft onvoldoende onderbouwd dat hij bewust de kans heeft aanvaard dat het bedrag €10.000 overschreed.
De Hoge Raad benadrukt het onderscheid tussen voorwaardelijk opzet en bewuste schuld en wijst erop dat de telplicht niet zonder meer leidt tot het aannemen van voorwaardelijk opzet. De zaak wordt vernietigd en terugverwezen naar het hof Amsterdam voor hernieuwde beoordeling binnen het bestaande hoger beroep.
De conclusie van de procureur-generaal bij de Hoge Raad onderstreept dat het hof onvoldoende heeft gemotiveerd waarom het handelen van de verdachte als voorwaardelijk opzet moet worden gekwalificeerd, en dat het oordeel onbegrijpelijk is. De zaak betreft de uitleg en toepassing van artikel 10:1 lid 4 en Pro 5 van de Algemene douanewet in relatie tot de aangifteplicht van contant geld bij grensoverschrijding.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde beoordeling.