Uitspraak
1.De uitspraak waarvan herziening is gevraagd
2.De aanvraag tot herziening
3.Bewezenverklaring en bewijsvoering
4.Beoordeling van de aanvraag
5.Beslissing
21 mei 2024.
Hoge Raad
De zaak betreft een aanvraag tot herziening van een arrest van het gerechtshof Amsterdam waarin de aanvrager werd veroordeeld wegens het niet voldoen aan de aangifteplicht bij het vervoeren van €10.000 of meer contant geld bij vertrek van Schiphol naar Dubai.
De aanvrager stelde dat hij in werkelijkheid slechts €9.800 bij zich had omdat vier biljetten van €50 vals waren, en dat het hof deze omstandigheid niet in aanmerking had genomen. Ter onderbouwing werden verklaringen van getuigen, een bewijs van ontvangst van vermoedelijk vals geld, een proces-verbaal van aangifte en instapkaarten overgelegd.
Het hof had dit verweer verworpen omdat de verklaring van de aanvrager omtrent de wisseltransactie in Dubai niet nader was onderbouwd en het dossier geen aanwijzingen bevatte dat bij de controle op Schiphol vals geld was aangetroffen. Ook waren de overgelegde stukken onvoldoende van gewicht om als nieuw gegeven in de zin van artikel 457 lid 1 sub c Sv Pro te gelden.
De Hoge Raad bevestigt deze beoordeling en oordeelt dat er geen ernstig vermoeden bestaat dat het hof bij bekendheid met de nieuwe gegevens tot vrijspraak zou zijn gekomen. De aanvraag tot herziening wordt daarom afgewezen.
Uitkomst: De Hoge Raad wijst de aanvraag tot herziening af wegens onvoldoende bewijs dat het geldbedrag minder dan €10.000 bedroeg door vals geld.