ECLI:NL:RBDHA:2020:10397
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Prejudiciële vragen over toestemming en bevoegdheden bij pleeggezinplaatsing
In deze zaak vraagt de rechtbank Den Haag de Hoge Raad om prejudiciële beantwoording van diverse vragen omtrent de juridische bevoegdheden bij pleeggezinplaatsingen onder een machtiging tot uithuisplaatsing. De kernvraag betreft of pleegouders zonder toestemming van de met gezag belaste ouders met het pleegkind op vakantie mogen, en welke rol de gecertificeerde instelling (GI) hierin speelt.
De rechtbank verwijst naar eerdere tussenbeschikkingen en stelt dat kinderrechters verdeeld zijn over de interpretatie van de wettelijke regels omtrent toestemming voor uitstapjes en vakanties, zowel binnen Nederland als naar het buitenland. De vragen betreffen ook de invloed van een machtiging tot uithuisplaatsing op bestaande zorg- en omgangsregelingen en de mogelijkheid tot vervangende toestemming via de rechter.
De rechtbank houdt de procedure aan in afwachting van de beantwoording door de Hoge Raad en verzoekt deze om duidelijkheid te scheppen over de reikwijdte van de machtiging en de rol van ouders, pleegouders en GI in de dagelijkse verzorging en opvoeding van het pleegkind.
Uitkomst: De rechtbank houdt de verdere beslissing aan en verzoekt de Hoge Raad prejudiciële vragen te beantwoorden over bevoegdheden en toestemming bij pleeggezinplaatsingen.