Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het cassatiemiddel
3.Beslissing
19 januari 2021.
Hoge Raad
De zaak betreft een jeugdige verdachte die werd veroordeeld voor deelname aan een criminele organisatie en voorbereiding van gekwalificeerde diefstal. De politie hield de verdachte en zijn groep langere tijd intensief in de gaten op hotspots in Den Haag vanwege een sterke stijging van woninginbraken en overlast.
De surveillance bestond uit frequente observaties en controles door een speciaal Hotspot Interventie Team (HIT), dat vooral op de openbare weg opereerde zonder technische hulpmiddelen zoals camera’s gericht op privéwoningen. Het hof oordeelde dat deze vorm van intensieve surveillance niet gelijkstaat aan stelselmatige observatie in de zin van artikel 126g Sv, omdat er geen min of meer volledig beeld van het privéleven van de verdachte werd verkregen.
De Hoge Raad bevestigt dit oordeel en stelt dat de algemene taakomschrijving van de politie volgens artikel 3 Politiewet Pro 2012 en artikel 141 Sv Pro een toereikende grondslag vormt voor deze surveillance. Het beroep van de verdachte wordt verworpen, waarbij tevens wordt opgemerkt dat de politie-inspanningen kenbaar waren en de verdachte zich bewust was van de observatie.
Deze uitspraak verduidelijkt de grenzen van stelselmatige observatie en bevestigt dat intensieve surveillance op openbare hotspots zonder specifiek bevel rechtmatig kan zijn indien het privéleven niet volledig wordt gevolgd.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat intensieve surveillance van een criminele jeugdgroep zonder bevel tot stelselmatige observatie rechtmatig is op basis van artikel 3 Politiewet 2012 en artikel 141 Sv.