Conclusie
Nummer22/00461
Inleiding
Het middel
“Onrechtmatigheden voorbereidend onderzoek:
Artikel 126m [Opnemen telecommunicatie met technisch hulpmiddel]
artikel 67, eerste lid, dat gezien zijn aard of de samenhang met andere door de verdachte begane misdrijven een ernstige inbreuk op de rechtsorde oplevert.
• Volgens het pv is bron informatie onbekend, is betrouwbaarheid niet getoetst en is het pv niet bedoeld om als bewijsmiddel gebruikt te worden;
• Deze informatie is binnengekomen in november 2017 en is dus van ongeveer een jaar voor de start van de opname telecommunicatie;
• Nergens uit volgt dat [verdachte] zich bezighoudt met verkoop van fentanyl;
Artikel 126g [Stelselmatig volgen en kijkoperatie]
Er is sprake van een onherstelbare vormverzuimen ex 359a Sv:
Bespreking van in hoger beroep gevoerde verweren omtrent het verzuim van vormen
9 augustus 2018onderzoek gedaan aan een telefoon, uit welk onderzoek bleek dat er op 28 juli 2018 een Whatsapp-conversatie plaatsvond waarbij [betrokkene 1], na een eerder WhatsApp gesprek waarin aan [betrokkene 1] wordt gevraagd of hij ‘iets lekkers’ heeft, het volgende contact deelt: ‘Rooie [telefoonnummer]’. Eveneens op
9 augustus 2018is door de politieambtenaar [verbalisant] een zoekslag gemaakt in het politiesysteem BVH. Die zoekslag leidde naar een melding van 21 april 2018, inhoudende dat in [plaats] drugs wordt gedeald door [verdachte], alias Rooie, bereikbaar via *[telefoonnummer]. Tot slot was reeds in november 2017 bij het Team Criminele Inlichtingen een melding binnengekomen dat ‘[verdachte]’ drugs dealt in [plaats] en dat met [verdachte] wordt bedoeld ‘[verdachte]’, zijnde de verdachte.
eerste deelklachtkeert zich tegen het oordeel van het hof dat de rechter-commissaris in redelijkheid tot het oordeel heeft kunnen komen dat sprake was van een verdenking als bedoeld in artikel 126m lid 1 Sv. Dat oordeel zou niet zonder meer begrijpelijk zijn, omdat het aan dat oordeel van de rechter-commissaris ten grondslag liggende proces-verbaal zich niet in het procesdossier bevond en daarom niet met voldoende zekerheid zou kunnen worden vastgesteld wat daarvan de inhoud is geweest.
tweede deelklachtkeert zich tegen het oordeel van het hof dat kan worden volstaan met de enkele constatering dat het niet tijdig op schrift stellen van de mondelinge machtiging door de rechter-commissaris een onherstelbaar vormverzuim oplevert. Volgens de steller van het middel is dat oordeel niet zonder meer begrijpelijk, althans ontoereikend gemotiveerd. Zo had het hof “nader behoren te motiveren – mede in het licht van het (…) verzuim betreffende het ontbreken van het onderliggende proces-verbaal – waarom in dit zeer specifieke geval met enkele constatering kan worden volstaan.”
(…)
derde deelklachtklaagt over de begrijpelijkheid van het oordeel van het hof dat de in de onderhavige zaak uitgevoerde observaties niet geschikt zijn geweest om van bepaalde aspecten van het persoonlijke leven van de verdachte een min of meer compleet beeld te verkrijgen. Volgens de steller van het middel heeft het hof daarbij “onvoldoende gerespondeerd op de specifieke omstandigheden c.q. kenmerken van die observatie, genoemd in het verweer”. Bovendien heeft het hof aan dat oordeel mede ten grondslag gelegd dat ten behoeve van die observatie geen gebruik is gemaakt van technische hulpmiddelen. Die vaststelling zou onbegrijpelijk zijn, omdat “ten tijde van de observatie tevens sprake was van het opnemen van telecommunicatie ex artikel 126m Sv”.