Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het eerste cassatiemiddel
3.Beoordeling van het tweede cassatiemiddel
4.Beslissing
8 juni 2021.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin de verdachte werd veroordeeld voor medeplegen van witwassen. Het cassatieberoep werd ingesteld door de verdachte en behandeld door de Hoge Raad.
De Hoge Raad beoordeelde twee cassatiemiddelen. Het eerste middel, dat klachten bevatte over het bestanddeel 'afkomstig uit enig misdrijf' en medeplegen, werd verworpen zonder nadere motivering omdat het niet van belang was voor de rechtsontwikkeling. Het tweede middel klaagde over een overschrijding van de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM Pro, vanwege het te laat inzenden van stukken door het hof.
De Hoge Raad stelde vast dat de redelijke termijn was overschreden, mede doordat het arrest meer dan twee jaar na het instellen van het cassatieberoep werd gewezen. Gezien de opgelegde straf van een taakstraf van 50 uur, subsidiair 25 dagen hechtenis, zag de Hoge Raad geen aanleiding om aan deze overschrijding een ander rechtsgevolg te verbinden. Het beroep werd uiteindelijk verworpen.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de veroordeling voor medeplegen van witwassen blijft in stand ondanks overschrijding van de redelijke termijn.