ECLI:NL:PHR:2023:1102

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
5 december 2023
Publicatiedatum
3 december 2023
Zaaknummer
21/02994
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 420bis SrArt. 26 WWMArt. 27 SrArt. 81 lid 1 RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt bewezenverklaring witwassen en onttrekking vuurwapen ondanks tegenstrijdige verklaringen en onderzoek naar lening

De verdachte werd door het gerechtshof 's-Hertogenbosch veroordeeld voor het handelen in strijd met de Wet wapens en munitie en witwassen van een geldbedrag van circa €112.000. Het hof verklaarde onder meer een geldbedrag verbeurd en onttrok een vuurwapen aan het verkeer. De zaak betrof onder meer de vondst van grote contante geldbedragen verstopt in een bedrijfspand, waarvan een deel (€40.000) werd toegeschreven aan een vermeende lening uit Dubai.

De Hoge Raad behandelde het cassatieberoep waarin werd betoogd dat het hof onvoldoende onderzoek had gedaan naar de verklaring van de verdachte over de lening en dat het OM tekort was geschoten in zijn onderzoeksplicht. Het hof had geoordeeld dat het vermoeden van witwassen gerechtvaardigd was en dat de verklaring omtrent de lening ongeloofwaardig was, mede vanwege tegenstrijdigheden in de verklaringen van verdachte en medeverdachte en het uitblijven van bewijsstukken.

Ook werd geklaagd over de onttrekking aan het verkeer van een vuurwapen, waarbij het hof een merkfout maakte (Tanfangio in plaats van Tanfoglio) maar dit werd door de Hoge Raad niet als onjuist of onvoldoende gemotiveerd beoordeeld. De Hoge Raad concludeerde dat het hof terecht de onttrekking had bevolen.

De Hoge Raad verwierp de middelen en bevestigde de bewezenverklaring en de onttrekking aan het verkeer. Wel werd ambtshalve opgemerkt dat de redelijke termijn was overschreden, wat leidt tot strafvermindering. De strafoplegging werd vernietigd en verminderd, het beroep werd voor het overige verworpen.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen, de bewezenverklaring witwassen en onttrekking vuurwapen blijven gehandhaafd, met strafvermindering wegens termijnoverschrijding.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer21/02994
Zitting5 december 2023
CONCLUSIE
T.N.B.M. Spronken
In de zaak
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1963,
hierna: de verdachte

1.Het cassatieberoep

1.1
De verdachte is bij arrest van 12 juli 2021 door het gerechtshof 's-Hertogenbosch wegens onder 4 "handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III en handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie" en onder 6 “witwassen”, veroordeeld tot een gevangenisstraf van 12 maanden, met aftrek als bedoeld in art. 27 Sr Pro. Voorts heeft het hof een geldbedrag verbeurd verklaard, de onttrekking aan het verkeer van twee wapens gelast en ten aanzien van een auto en een aanhangwagen teruggave aan de verdachte respectievelijk de bewaring ten behoeve van de rechthebbende gelast.
1.2
Er bestaat samenhang met de zaken 21/03043, 21/03019, 21/02959, 21/03079, 21/03102, 21/03282, 21/03101 en 21/03103. In de laatste twee zaken is reeds arrest gewezen. In de overige zaken zal ik vandaag ook concluderen.
1.3
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. R. van Leusden en D.J.M. Dammers, beiden advocaat te Amsterdam, hebben twee middelen van cassatie voorgesteld.
1.4
Het eerste middel bevat een klacht over het bewezen verklaarde voorhanden hebben van een uit misdrijf afkomstig geldbedrag. Voordat ik het middel bespreek, geef ik de relevante bewezenverklaring en de bewijsvoering weer.

2.Bewezenverklaring en bewijsvoering

2.1
Ten laste van de verdachte is bewezen verklaard dat:
“6.
hij op 30 november 2011 te Tilburg een voorwerp, te weten een geldbedrag, te weten ongeveer 100.000 euro, voorhanden heeft gehad, terwijl hij wist dat bovenomschreven voorwerp -onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf.”
2.2
Ten aanzien van dit feit heeft het hof het volgende overwogen (met weglating van verwijzingen):

Ten aanzien van het onder 6 bewezenverklaarde
Aan verdachte is tenlastegelegd dat hij zich tezamen en in vereniging met [betrokkene 3] schuldig hebben gemaakt aan het (medeplegen van witwassen van een geldbedrag van ongeveer € 112.000,- in de periode van 1 januari 2010 tot en met 12 april 2012.
Toetsingskader
Het hof stelt voorop dat voor een bewezenverklaring voor het in de delictsomschrijving van artikel 420bis van het Wetboek van Strafrecht opgenomen bestanddeel 'afkomstig uit enig misdrijf niet is vereist dat uit de bewijsmiddelen moet kunnen worden afgeleid dat het desbetreffende voorwerp (in casu: het contante geld) afkomstig is uit een concreet aangeduid misdrijf. Wel is voor een bewezenverklaring ter zake van dit wetsartikel vereist dat vaststaat dat het voorwerp afkomstig is uit enig misdrijf.
Dat een voorwerp 'afkomstig is uit enig misdrijf is kan – indien op grond van de beschikbare bewijsmiddelen geen rechtstreeks verband valt te leggen met een bepaald misdrijf – niettemin bewezen worden geacht indien het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is. Het is daarbij aan het Openbaar Ministerie bewijs aan te dragen van dergelijke feiten en omstandigheden. Indien de door het Openbaar Ministerie aangedragen feiten en omstandigheden een vermoeden rechtvaardigen dat het niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is, mag van de verdachte worden verlangd dat hij een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is. De omstandigheid dat zo een verklaring van de verdachte mag worden verlangd, houdt niet in dat het aan de verdachte is om aannemelijk te maken dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is.
Indien de verdachte voormelde verklaring geeft, ligt het op de weg van het Openbaar Ministerie nader onderzoek te doen naar die verklaring. De rechter zal dan mede op basis van de resultaten van dat onderzoek moeten beoordelen of ondanks de verklaring van de verdachte het witwassen bewezen kan worden op de grond dat (het niet anders kan zijn dan dat) het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is. Indien een dergelijke verklaring uitblijft, mag de rechter die omstandigheid betrekken in zijn overwegingen omtrent het bewijs (vgl. HR 18-12-2018, ECLI:NL:HR:2018:2352, rov. 2.3.1.-2.4.).
Bij de beoordeling van het verwijt jegens [betrokkene 3] en [verdachte] gaat het hof, met de rechtbank, ervan uit dat er geen direct bewijs voor brondelicten aanwezig is. Dit is ook niet betoogd door de advocaat-generaal of de verdediging en volgt evenmin uit het dossier. Daarom zal het hierboven omschreven toetsingskader gebruikt worden als uitgangspunt bij de beoordeling.
Het vermoeden van witwassen
Op 30 november 2011 vond er een doorzoeking plaats in het pand aan de [c-straat 1] te Tilburg. Dit betrof een bedrijfspand van [betrokkene 3] en [verdachte]. Zij zijn beiden vennoot van de bedrijven [A] en [B] die op 30 november 2011 in de [c-straat 1] gevestigd waren.
Uit het proces-verbaal doorzoeking en overname inbeslaggenomen goederen, de situatie schetsen17 van de inbeslaggenomen goederen en de kennisgeving van inbeslagname leidt het hof af dat het volgende is aangetroffen:
- in de kluis in het kantoor: een onbekende hoeveelheid geld;
- in de afzuigkap in de keuken € 1.290,- en een onbekende hoeveelheid geld;
- in de lade in de keuken € 150,- en een onbekende hoeveelheid geld;
- in het plafond in de keuken € 4,800,- en een onbekende hoeveelheid geld.
Geld afzuigkap
In de afzuigkap in de keuken werd een doos dichtgeplakt met ducttape aangetroffen. In de doos bevond zich een groot aantal gebundelde bankbiljetten. Deze bundels werden met acht elastieken bijeengehouden. De elastieken werden in beslag genomen en onderzocht door het NFI. Hierbij werd drie maal een match met het DNA van [verdachte] vastgesteld. Hoewel de politie in zaaksdossier 24 heeft nagelaten de op vier genoemde vindplaatsen aangetroffen geldbedragen nader te specificeren en daarover te relateren, gaat het hof ervan uit dat er in de afzuigkap een bedrag van € 40.000,- lag. Volgens de verklaringen van [verdachte] en [betrokkene 3] betrof het een bedrag van ongeveer 60.000,-, gebundeld per € 5000,-. Dit in samenhang bezien met het gegeven dat er acht elastieken (8.x € 5000,-) in beslag zijn genomen, maakt dat het hof uitgaat van € 40.000,-.
Geld plafond keuken
In het plafond in de keuken werden enkele draagtassen aangetroffen met Euro-bankbiljetten in bundels met 11 elastieken bijeen gehouden. Wederom werd een DNA-match met het profielcluster van [verdachte] vastgesteld. De bundels biljetten bevatten verschillende coupures, waaronder biljetten van € 500,-. Ondanks dat de politie ook hier heeft nagelaten het totaal aangetroffen geldbedrag te specificeren en daarover te relateren, gaat het hof uit van een bedrag van ongeveer € 60.000,- dat zich in het plafond bevond. Volgens de verklaringen van [verdachte] en [betrokkene 3] betrof dit geld dat was verdiend met de handel in auto's: € 24.000,- van de verkoop van een Jeep, € 25.000,- van de verkoop van een BMW, en € 10.000,- van de verkoop van een Mercedes, waarbij [betrokkene 3] in zijn verhoor tevens spreekt over € 60.000.- die in het plafond verstopt lag. Dit in samenhang bezien met de verklaring dat zij het geld bundelden per € 5.000,= en de aangetroffen 11 elastieken en € 4.800,- naast een hoeveelheid ongeteld geld, maakt dat ook het hof uitgaat van het genoemde bedrag van ongeveer € 60.000,-.
Ook de bedragen in de kluis en de keukenlade, te weten € 1.500,- respectievelijk € 12.000,- acht het hof op basis van hetgeen [verdachte] en [betrokkene 3] hebben verklaard aannemelijk.
Het vermoeden van witwassen en het ontbreken van een deugdelijke verklaring
Gelet op het bovenstaande kan vastgesteld worden dat [verdachte] en [betrokkene 3] tezamen en in vereniging verschillende grote geldbedragen in contanten voorhanden hebben gehad. Beoordeeld moet vervolgens worden of deze bedragen van misdrijf afkomstig waren, zoals is tenlastegelegd.
De plaatsen waar het geld is aangetroffen (verstopt in de afzuigkap en in het plafond van de keuken), de manier waarop het is aangetroffen (grote hoeveelheden bankbiljetten en gebundeld) en het feit dat er in hetzelfde pand ook drugs en wapens zijn aangetroffen (zie hiervoor onder zaaksdossiers 8 en 9) zijn omstandigheden die van dien aard zijn dat het vermoeden gerechtvaardigd is dat de geldbedragen die [verdachte] en [betrokkene 3] voorhanden hebben gehad uit misdrijf afkomstig waren. Dit betekent dat van hen mag worden verlangd dat zij een verklaring geven voor de herkomst daarvan. Bij de beoordeling van deze verklaring spelen volgens het hof de omstandigheden waaronder en het moment en de wijze waarop deze tot stand is gekomen mede een rol. Zo kan het van belang zijn of de verdachte van meet af aan een tegenwicht tegen de verdenking heeft geboden of dat hij eerst in een laat stadium van het onderzoek is gaan verklaren op een wijze die aan de hiervoor genoemde vereisten voldoet.
Lening Dubai €40.000,- in afzuigkap
[verdachte] heeft verklaard een lening in Dubai te hebben afgesloten voor een bedrag van € 150.000,-. Een daarop volgens [verdachte] en [betrokkene 3] betrekking hebbende schriftelijke overeenkomst maakt onderdeel uit van het dossier. Het Openbaar Ministerie heeft hierin reden gezien nader onderzoek te doen verrichten.
Het Openbaar Ministerie heeft navraag gedaan bij de Belastingdienst. Bij brief van 11 oktober 2012 heeft de Belastingdienst aangegeven dat de leenovereenkomst die door mr. Jonk aan de Belastingdienst was overgelegd, aanleiding gaf tot het stellen van een aantal kritische vragen. Op 2 mei 2012 is een vragenbrief naar het accountantskantoor van [verdachte] verstuurd met een reactietermijn tot 23 mei 2012. Hier kwam geen reactie op. Wederom werd verzocht inlichtingen te verstrekken. Op verzoek van mr. Jonk werd de termijn verlengd tot 14 augustus 2012, waarna er op 6 augustus 2012 bezwaar werd gemaakt. Dit is op 26 september 2012 afgewezen; [verdachte] dan wel het accountants kantoor heeft op geen enkele gestelde vraag antwoord gegeven. Uit de stukken van 2009 en 2010 is daarnaast niet van een lening of van rente of aflossingsregeling gebleken.
Anders dan de verdediging is het hof van oordeel dat het Openbaar Ministerie wel degelijk onderzoek heeft gedaan naar de lening. Het onderzoek is niet enkel gebaseerd op de mening van de Belastingdienst dat zij de lening niet serieus zouden nemen, maar is gebaseerd op onderzoek dat door de Belastingdienst is verricht, waarbij de Belastingdienst heeft aangegeven het gehele bedrag als inkomen te zullen aanmerken nu er geen nadere bewijs stukken door [verdachte] zijn aangeleverd waarbij ook de stukken over de jaren 2009 en 2010 zijn bestudeerd. Op grond daarvan is de conclusie getrokken dat er geen sprake is geweest van een lening.
Het hof ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of uit de resultaten van dit onderzoek blijkt dat met voldoende mate van zekerheid kan worden uitgesloten dat het geldbedrag waarop de verdenking betrekking heeft, een legale herkomst heeft en dat dus een criminele herkomst als enige aanvaardbare verklaring kan gelden. Het hof beantwoordt deze vraag bevestigend en overweegt daartoe het volgende:
[verdachte] heeft in eerste instantie, januari 2012, bij de politie verklaard dat hij geen geld had geleend. Pas in juni 2012 verklaart hij dat hij een privélening heeft bij een bedrijf in Dubai. [betrokkene 3] heeft in januari 2012 verklaard dat er € 40.000,- aan geleend geld in de afzuigkap lag. Deze lening zou door [verdachte] zijn afgesloten. [verdachte] daarentegen heeft in zijn verhoor in januari 2012 verklaard dat deze € 40.000,- privégeld betrof waarvan hij een Rolls Royce wilde gaan kopen. Pas in juni 2012, waar dit niet eerder zo expliciet is verklaard, heeft [verdachte] verklaard dat de € 40.000,- afkomstig was uit de lening die was afgesloten met de persoon uit Dubai. Opmerkelijk daarbij is dat er expliciet wordt verwezen naar deze € 40.000,- terwijl op een later tijdstip door de verdediging is aangegeven dat er met het geld uit de lening met Dubai is gehandeld zodat dit geldbedrag heeft gefluctueerd tot aan het moment waarop het in beslag is genomen.
De verklaringen van [betrokkene 3] en [verdachte] blijken ten aanzien van de beweerdelijke lening niet overeen te komen, waarbij zij ook wisselend en onduidelijk hebben verklaard.
Dit in samenhang bezien met de bevindingen van de Belastingdienst, maakt dat het hof, met de rechtbank, van oordeel is dat de verklaring met betrekking tot de lening in Dubai als ongeloofwaardig moet worden bestempeld. Naar het oordeel van het hof kan in voldoende mate worden uitgesloten dat het geldbedrag ad € 40.000,- uit een lening voort is gekomen en daarmee is geen legale herkomst vast te stellen.”

3.Het eerste middel

3.1
Het eerste middel bevat de klacht dat de verwerping door het hof van het namens de verdachte gevoerde verweer dat niet bewezen kan worden verklaard dat een deel – te weten € 40.000 – van het onder 6 ten laste gelegde geldbedrag van € 112.000 afkomstig is uit enig misdrijf, ontoereikend is gemotiveerd en/of dat de bewezenverklaring voor wat betreft het van misdrijf afkomstig zijn van dat geldbedrag onvoldoende (begrijpelijk) is gemotiveerd, althans dat het oordeel dat de gelden van misdrijf afkomstig waren van een onjuiste rechtsopvatting getuigt. Het hof heeft miskend dat het OM heeft niet voldoende onderzoek heeft gedaan naar de verklaring van de verdachte omtrent de herkomst van het geldbedrag.
3.2
In de toelichting op het middel wordt aangevoerd dat uit het nemo-teneturbeginsel en het daaruit voortvloeiende zwijgrecht alsmede de onschuldpresumptie voortvloeit, dat van de verdachte niet mag worden verlangd dat hij het bewijs voor zijn onschuld aandraagt. Gesteld wordt dat bij het OM de plicht ligt onderzoek te doen naar de verklaring van de verdachte dat hij het geld geleend had, zoals het verifiëren van deze verklaring bij de wederpartij van wie hij de lening had verkregen. Dat heeft het OM nagelaten. Het hof heeft geoordeeld dat het OM er bij zijn onderzoek naar de verklaring van de verdachte mee mocht volstaan het standpunt van de Belastingdienst – die in het kader van een fiscale procedure de bewijslast omkeerde en oordeelde dat de verdachte het bestaan van een lening onvoldoende had bewezen – over te nemen. In feite verlangt het hof hiermee dat de verdachte aannemelijk maakt dat het geld niet afkomstig is van enig misdrijf.
3.3
Juridisch kader
3.3.1
In het arrest van 5 juli 2022 [1] heeft de Hoge Raad eerdere rechtspraak over het bewijs van het bestanddeel ‘afkomstig is uit enig misdrijf’ als volgt samengevat:
“2.3.2
Dat een voorwerp ‘afkomstig is uit enig misdrijf’, kan, als op grond van de beschikbare bewijsmiddelen geen rechtstreeks verband valt te leggen met een bepaald misdrijf, niettemin bewezen worden geacht als het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is. Het is aan het openbaar ministerie bewijs aan te dragen van dergelijke feiten en omstandigheden.
2.3.3
Indien de door het openbaar ministerie aangedragen feiten en omstandigheden een vermoeden rechtvaardigen dat het niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is, mag van de verdachte worden verlangd dat hij een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is. De omstandigheid dat deze verklaring van de verdachte mag worden verlangd, houdt niet in dat het aan de verdachte is om aannemelijk te maken dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is.
Indien de verdachte zo’n verklaring geeft, ligt het op de weg van het openbaar ministerie nader onderzoek te doen naar die verklaring. De rechter zal dan mede op basis van de resultaten van dat onderzoek moeten beoordelen of ondanks de verklaring van de verdachte het witwassen bewezen kan worden op de grond dat (het niet anders kan zijn dan dat) het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is.
Indien een dergelijke verklaring uitblijft, mag de rechter die omstandigheid betrekken in zijn overwegingen omtrent het bewijs. (Vgl. HR 18 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2352 (NJ 2019/298, m.nt. N. Rozemond; red.).)”
3.3.2
In de zinsnede dat “[d]e omstandigheid dat deze verklaring van de verdachte mag worden verlangd, niet in[houdt] dat het aan de verdachte is om aannemelijk te maken dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is”, wordt tot uitdrukking gebracht dat ingeval er een vermoeden van witwassen bestaat, van de verdachte slechts wordt gevergd dat hij voldoende twijfel zaait omtrent dit vermoeden. [2]
3.3.3
Daarbij mag de eis worden gesteld dat de verdachte niet alleen een concrete en verifieerbare verklaring geeft maar ook een niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring over de herkomst van het voorwerp. Daarnaast kan een niet hoogst onwaarschijnlijke verklaring tegenstrijdigheden bevatten die een rol spelen bij het beoordelen van de vraag of mede op basis van de resultaten van het onderzoek naar de verklaring van de verdachte kan worden geoordeeld dat het niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is. [3]
3.4
Bespreking van het middel
3.4.1
Gelet op het door het hof correct geschetste toetsingskader en zijn overwegingen inzake het onderzoek verricht door het OM naar aanleiding van de verklaring van de verdachte begrijp ik het oordeel van het hof zo dat de verdachte een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring heeft gegeven voor de aanwezigheid en herkomst van het geld – namelijk een lening – maar dat in het licht van het naar deze verklaring gedane onderzoek “in voldoende mate [kan] worden uitgesloten dat het geldbedrag ad € 40.000,- uit een lening voort is gekomen”. [4]
3.4.2
Geklaagd wordt dat het OM tekort is geschoten in zijn onderzoeksplicht. Dat zie ik anders. Mijns inziens kan niet worden gezegd dat het hof van de verdachte heeft verlangd dat hij aannemelijk maakt dat het geld niet van misdrijf afkomstig is. Het onderzoek van de Belastingdienst op grond waarvan het OM tot de conclusie is gekomen dat van een lening geen sprake is, is niet alleen gebaseerd op het uitblijven van een reactie van de verdachte op de vragen met betrekking tot de overgelegde leenovereenkomst, maar ook op het feit dat uit de stukken van 2009 en 2010 niet van een leenovereenkomst is gebleken. [5]
3.4.3
Bovendien heeft het hof bij zijn oordeel ook in aanmerking genomen dat de door de verdachte en zijn medeverdachte bij de politie afgelegde verklaringen tegenstrijdig, wisselend en onduidelijk zijn. [6] Het hof heeft erop gewezen dat de verdachte in januari 2012 bij de politie heeft verklaard dat hij geen geld had geleend en dat de € 40.000 privégeld betrof waarvan hij een Rolls-Royce wilde kopen, terwijl zijn medeverdachte in januari 2012 heeft verklaard dat het geld afkomstig is uit een door de verdachte aangegane lening. De verdachte heeft pas in juni 2012 verklaard dat de € 40.000 afkomstig was uit de lening die was afgesloten met een persoon uit Dubai [7] , terwijl op een later tijdstip door de verdediging is aangegeven dat er met het geld uit de lening is gehandeld, zodat dit geldbedrag heeft gefluctueerd tot aan het moment waarop het in beslag is genomen. Alleen al hierom kon het hof oordelen dat in voldoende mate kan worden uitgesloten dat het geldbedrag van € 40.000,- uit een lening voort is gekomen.
3.4.4
Het middel faalt.

4.Het tweede middel

4.1
Het tweede middel bevat de klacht dat het hof ten onrechte de onttrekking aan het verkeer heeft bevolen van een vuurwapen van het merk Tanfangio.
4.2
Ten laste van de verdachte is onder 4 bewezen verklaard dat:
“hij op of omstreeks 30 november 2011 te Tilburg een wapen van categorie III, te weten een pistool (merk Star), en munitie van categorie III, te weten een aantal patronen, voorhanden heeft gehad;”
4.3
De kern van de klacht is dat het hof heeft overwogen dat het een vuurwapen met betrekking tot het onder 4 bewezenverklaarde aan het verkeer heeft willen onttrekken, welke bewezenverklaring inhoudt dat de verdachte een pistool van het merk
Starvoorhanden heeft gehad. In zoverre is de beslissing, zonder nadere motivering, onjuist dan wel onbegrijpelijk gemotiveerd, althans is ten onrechte de onttrekking aan het verkeer bevolen van een pistool van het merk
Tanfangio.
4.4
Overwegingen van het hof inzake onttrekking aan het verkeer
4.4.1
Het hof heeft ten aanzien van de onttrekking aan het verkeer van het wapen met betrekking tot welke het onder 4 ten laste gelegde en bewezen verklaarde feit is begaan het volgende overwogen:

Onttrekking aan het verkeer
Het hierna te noemen in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerp, te weten een , pistool, met betrekking tot het welk het onder 4 tenlastegelegde en bewezenverklaarde is begaan, dient te worden onttrokken aan het verkeer, aangezien het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet.
(…)
BESLISSING
(…)
Beveelt de onttrekking aan het verkeer van het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten: een pistool Tanfangio.”
4.5
Bespreking van het middel
4.5.1
Een blik achter de papieren muur [8] wijst uit dat het in beslag genomen wapen een omgebouwd (alarm)pistool is van het merk “Tanfoglio” (het hof heeft hiervan Tanfangio gemaakt) en dat op de slede van het pistool het merkopschrift “Star Cal 6.35mm” is aangebracht. Het gaat hierbij dus om één en hetzelfde pistool. In samenhang bezien met het feit dat naast het pistool dat is aangetroffen in de lade van het kantoor van de verdachte, waarmee het onder 4 ten laste gelegde feit is begaan, geen ander pistool in beslag is genomen, kan er geen twijfel over bestaan van welk wapen het hof de onttrekking aan het verkeer heeft bevolen. Het oordeel van het hof is dus noch onjuist, noch ontoereikend gemotiveerd en het hof heeft de onttrekking van het verkeer ook niet ten onrechte bevolen.
4.5.2
Het middel faalt.

5.Slotsom

5.1
De middelen falen. Beide middelen kunnen worden afgedaan met een aan art. 81 lid 1 RO Pro ontleende motivering.
5.2
Ambtshalve merk ik op dat sinds het instellen van het cassatieberoep tot aan de datum van deze conclusie reeds ruim twee jaren zijn verstreken, zodat de redelijke termijn is overschreden. [9] Dit dient te leiden tot strafvermindering. Andere gronden die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven, heb ik niet aangetroffen.
5.3
Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, doch uitsluitend wat de hoogte van de opgelegde gevangenisstraf betreft, tot vermindering daarvan naar de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.HR 5 juli 2022, ECLI:NL:HR:2022:1005.
2.Zie F. Diepemaat, De Nederlandse strafbaarstelling van witwassen. Een onderzoek naar de reikwijdte en de toepassing van artikel 420bis Sr, Deventer: Wolters Kluwer 2016, p. 180.
3.HR 30 mei 2023, ECLI:NL:HR:2023:772, rov. 2.4.1-2.4.3 en HR 9 juni 2015, ECLI:NL:HR:2015:1500, rov. 2.5.
4.Vgl. de conclusie van AG Keulen (onder 15) voor HR 13 april 2021, ECLI:NL:HR:2021:827 (HR: art. 81 RO Pro). Hierbij merk ik op dat het hof hier een maatstaf (“in voldoende mate worden uitgesloten dat het geldbedrag ad € 40.000,- uit een lening voort is gekomen”) heeft gehanteerd die iets afwijkt van de maatstaf die voorkomt uit de jurisprudentie van de Hoge Raad (“dat (het niet anders kan zijn dan dat) het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is”). Hier wordt echter niet over geklaagd en in het licht van het feit dat het hof eerder in het arrest het juridisch kader juist uiteen heeft gezet en hierbij ook de voornoemde maatstaf van de Hoge Raad heeft genoemd, meen ik dat het hof met “in voldoende mate” kennelijk heeft bedoeld “dat (het niet anders kan zijn dan dat)” het genoemde geldbedrag uit enig misdrijf afkomstig is.
5.Vgl. HR 9 juli 2019, ECLI:NL:HR:2019:1137, NJ 2019/350, m.nt. Reijntjes, rov. 2.5-2.6 waaruit ik opmaak dat onderzoek naar belastinggegevens ook kan worden meegenomen bij de vraag of onderzoek is verricht naar de verklaring van de verdachte. Vgl. ook met HR 18 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2352, NJ 2019/298, m.nt. Rozemond, rov. 2.4; HR 2 februari 2021, ECLI:NL:HR:2021:156, rov. 2.4.1-2.4.2 en HR 5 juli 2022, ECLI:NL:HR:2022:1005, NJ 2022/266, rov. 2.4.1-2.4.3 waarin de Hoge Raad casseerde, omdat het openbaar ministerie – anders dan in de onderhavige zaak – geen nader onderzoek had verricht.
6.Vgl. inzake tegenstrijdige verklaringen HR 30 mei 2023, ECLI:NL:HR:2023:772, rov. 2.4.1-2.4.3 en HR 9 juni 2015, ECLI:NL:HR:2015:1500, rov. 2.5.
7.Dat het hof ook enige betekenis heeft toegekend aan het tijdstip van deze verklaring acht ik niet onbegrijpelijk, vgl. de conclusie van AG Vegter (onder 9) voor HR 15 maart 2022, ECLI:NL:HR:2022:357 (HR: art. 81 RO Pro).
8.Proces-verbaal omschrijving vuurwapen en munitie, zaaksdossier 8, p. 33.
9.HR 4 april 2023, ECLI:NL:HR:2023:464, rov. 4.