2.2Ten aanzien van dit feit heeft het hof het volgende overwogen (met weglating van verwijzingen):
“
Ten aanzien van het onder 6 bewezenverklaarde
Aan verdachte is tenlastegelegd dat hij zich tezamen en in vereniging met [betrokkene 3] schuldig hebben gemaakt aan het (medeplegen van witwassen van een geldbedrag van ongeveer € 112.000,- in de periode van 1 januari 2010 tot en met 12 april 2012.
Toetsingskader
Het hof stelt voorop dat voor een bewezenverklaring voor het in de delictsomschrijving van artikel 420bis van het Wetboek van Strafrecht opgenomen bestanddeel 'afkomstig uit enig misdrijf niet is vereist dat uit de bewijsmiddelen moet kunnen worden afgeleid dat het desbetreffende voorwerp (in casu: het contante geld) afkomstig is uit een concreet aangeduid misdrijf. Wel is voor een bewezenverklaring ter zake van dit wetsartikel vereist dat vaststaat dat het voorwerp afkomstig is uit enig misdrijf.
Dat een voorwerp 'afkomstig is uit enig misdrijf is kan – indien op grond van de beschikbare bewijsmiddelen geen rechtstreeks verband valt te leggen met een bepaald misdrijf – niettemin bewezen worden geacht indien het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is. Het is daarbij aan het Openbaar Ministerie bewijs aan te dragen van dergelijke feiten en omstandigheden. Indien de door het Openbaar Ministerie aangedragen feiten en omstandigheden een vermoeden rechtvaardigen dat het niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is, mag van de verdachte worden verlangd dat hij een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is. De omstandigheid dat zo een verklaring van de verdachte mag worden verlangd, houdt niet in dat het aan de verdachte is om aannemelijk te maken dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is.
Indien de verdachte voormelde verklaring geeft, ligt het op de weg van het Openbaar Ministerie nader onderzoek te doen naar die verklaring. De rechter zal dan mede op basis van de resultaten van dat onderzoek moeten beoordelen of ondanks de verklaring van de verdachte het witwassen bewezen kan worden op de grond dat (het niet anders kan zijn dan dat) het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is. Indien een dergelijke verklaring uitblijft, mag de rechter die omstandigheid betrekken in zijn overwegingen omtrent het bewijs (vgl. HR 18-12-2018, ECLI:NL:HR:2018:2352, rov. 2.3.1.-2.4.). Bij de beoordeling van het verwijt jegens [betrokkene 3] en [verdachte] gaat het hof, met de rechtbank, ervan uit dat er geen direct bewijs voor brondelicten aanwezig is. Dit is ook niet betoogd door de advocaat-generaal of de verdediging en volgt evenmin uit het dossier. Daarom zal het hierboven omschreven toetsingskader gebruikt worden als uitgangspunt bij de beoordeling.
Het vermoeden van witwassen
Op 30 november 2011 vond er een doorzoeking plaats in het pand aan de [c-straat 1] te Tilburg. Dit betrof een bedrijfspand van [betrokkene 3] en [verdachte]. Zij zijn beiden vennoot van de bedrijven [A] en [B] die op 30 november 2011 in de [c-straat 1] gevestigd waren.
Uit het proces-verbaal doorzoeking en overname inbeslaggenomen goederen, de situatie schetsen17 van de inbeslaggenomen goederen en de kennisgeving van inbeslagname leidt het hof af dat het volgende is aangetroffen:
- in de kluis in het kantoor: een onbekende hoeveelheid geld;
- in de afzuigkap in de keuken € 1.290,- en een onbekende hoeveelheid geld;
- in de lade in de keuken € 150,- en een onbekende hoeveelheid geld;
- in het plafond in de keuken € 4,800,- en een onbekende hoeveelheid geld.
Geld afzuigkap
In de afzuigkap in de keuken werd een doos dichtgeplakt met ducttape aangetroffen. In de doos bevond zich een groot aantal gebundelde bankbiljetten. Deze bundels werden met acht elastieken bijeengehouden. De elastieken werden in beslag genomen en onderzocht door het NFI. Hierbij werd drie maal een match met het DNA van [verdachte] vastgesteld. Hoewel de politie in zaaksdossier 24 heeft nagelaten de op vier genoemde vindplaatsen aangetroffen geldbedragen nader te specificeren en daarover te relateren, gaat het hof ervan uit dat er in de afzuigkap een bedrag van € 40.000,- lag. Volgens de verklaringen van [verdachte] en [betrokkene 3] betrof het een bedrag van ongeveer 60.000,-, gebundeld per € 5000,-. Dit in samenhang bezien met het gegeven dat er acht elastieken (8.x € 5000,-) in beslag zijn genomen, maakt dat het hof uitgaat van € 40.000,-.
Geld plafond keuken
In het plafond in de keuken werden enkele draagtassen aangetroffen met Euro-bankbiljetten in bundels met 11 elastieken bijeen gehouden. Wederom werd een DNA-match met het profielcluster van [verdachte] vastgesteld. De bundels biljetten bevatten verschillende coupures, waaronder biljetten van € 500,-. Ondanks dat de politie ook hier heeft nagelaten het totaal aangetroffen geldbedrag te specificeren en daarover te relateren, gaat het hof uit van een bedrag van ongeveer € 60.000,- dat zich in het plafond bevond. Volgens de verklaringen van [verdachte] en [betrokkene 3] betrof dit geld dat was verdiend met de handel in auto's: € 24.000,- van de verkoop van een Jeep, € 25.000,- van de verkoop van een BMW, en € 10.000,- van de verkoop van een Mercedes, waarbij [betrokkene 3] in zijn verhoor tevens spreekt over € 60.000.- die in het plafond verstopt lag. Dit in samenhang bezien met de verklaring dat zij het geld bundelden per € 5.000,= en de aangetroffen 11 elastieken en € 4.800,- naast een hoeveelheid ongeteld geld, maakt dat ook het hof uitgaat van het genoemde bedrag van ongeveer € 60.000,-.
Ook de bedragen in de kluis en de keukenlade, te weten € 1.500,- respectievelijk € 12.000,- acht het hof op basis van hetgeen [verdachte] en [betrokkene 3] hebben verklaard aannemelijk.
Het vermoeden van witwassen en het ontbreken van een deugdelijke verklaring
Gelet op het bovenstaande kan vastgesteld worden dat [verdachte] en [betrokkene 3] tezamen en in vereniging verschillende grote geldbedragen in contanten voorhanden hebben gehad. Beoordeeld moet vervolgens worden of deze bedragen van misdrijf afkomstig waren, zoals is tenlastegelegd.
De plaatsen waar het geld is aangetroffen (verstopt in de afzuigkap en in het plafond van de keuken), de manier waarop het is aangetroffen (grote hoeveelheden bankbiljetten en gebundeld) en het feit dat er in hetzelfde pand ook drugs en wapens zijn aangetroffen (zie hiervoor onder zaaksdossiers 8 en 9) zijn omstandigheden die van dien aard zijn dat het vermoeden gerechtvaardigd is dat de geldbedragen die [verdachte] en [betrokkene 3] voorhanden hebben gehad uit misdrijf afkomstig waren. Dit betekent dat van hen mag worden verlangd dat zij een verklaring geven voor de herkomst daarvan. Bij de beoordeling van deze verklaring spelen volgens het hof de omstandigheden waaronder en het moment en de wijze waarop deze tot stand is gekomen mede een rol. Zo kan het van belang zijn of de verdachte van meet af aan een tegenwicht tegen de verdenking heeft geboden of dat hij eerst in een laat stadium van het onderzoek is gaan verklaren op een wijze die aan de hiervoor genoemde vereisten voldoet.
Lening Dubai €40.000,- in afzuigkap
[verdachte] heeft verklaard een lening in Dubai te hebben afgesloten voor een bedrag van € 150.000,-. Een daarop volgens [verdachte] en [betrokkene 3] betrekking hebbende schriftelijke overeenkomst maakt onderdeel uit van het dossier. Het Openbaar Ministerie heeft hierin reden gezien nader onderzoek te doen verrichten.
Het Openbaar Ministerie heeft navraag gedaan bij de Belastingdienst. Bij brief van 11 oktober 2012 heeft de Belastingdienst aangegeven dat de leenovereenkomst die door mr. Jonk aan de Belastingdienst was overgelegd, aanleiding gaf tot het stellen van een aantal kritische vragen. Op 2 mei 2012 is een vragenbrief naar het accountantskantoor van [verdachte] verstuurd met een reactietermijn tot 23 mei 2012. Hier kwam geen reactie op. Wederom werd verzocht inlichtingen te verstrekken. Op verzoek van mr. Jonk werd de termijn verlengd tot 14 augustus 2012, waarna er op 6 augustus 2012 bezwaar werd gemaakt. Dit is op 26 september 2012 afgewezen; [verdachte] dan wel het accountants kantoor heeft op geen enkele gestelde vraag antwoord gegeven. Uit de stukken van 2009 en 2010 is daarnaast niet van een lening of van rente of aflossingsregeling gebleken.
Anders dan de verdediging is het hof van oordeel dat het Openbaar Ministerie wel degelijk onderzoek heeft gedaan naar de lening. Het onderzoek is niet enkel gebaseerd op de mening van de Belastingdienst dat zij de lening niet serieus zouden nemen, maar is gebaseerd op onderzoek dat door de Belastingdienst is verricht, waarbij de Belastingdienst heeft aangegeven het gehele bedrag als inkomen te zullen aanmerken nu er geen nadere bewijs stukken door [verdachte] zijn aangeleverd waarbij ook de stukken over de jaren 2009 en 2010 zijn bestudeerd. Op grond daarvan is de conclusie getrokken dat er geen sprake is geweest van een lening.
Het hof ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of uit de resultaten van dit onderzoek blijkt dat met voldoende mate van zekerheid kan worden uitgesloten dat het geldbedrag waarop de verdenking betrekking heeft, een legale herkomst heeft en dat dus een criminele herkomst als enige aanvaardbare verklaring kan gelden. Het hof beantwoordt deze vraag bevestigend en overweegt daartoe het volgende:
[verdachte] heeft in eerste instantie, januari 2012, bij de politie verklaard dat hij geen geld had geleend. Pas in juni 2012 verklaart hij dat hij een privélening heeft bij een bedrijf in Dubai. [betrokkene 3] heeft in januari 2012 verklaard dat er € 40.000,- aan geleend geld in de afzuigkap lag. Deze lening zou door [verdachte] zijn afgesloten. [verdachte] daarentegen heeft in zijn verhoor in januari 2012 verklaard dat deze € 40.000,- privégeld betrof waarvan hij een Rolls Royce wilde gaan kopen. Pas in juni 2012, waar dit niet eerder zo expliciet is verklaard, heeft [verdachte] verklaard dat de € 40.000,- afkomstig was uit de lening die was afgesloten met de persoon uit Dubai. Opmerkelijk daarbij is dat er expliciet wordt verwezen naar deze € 40.000,- terwijl op een later tijdstip door de verdediging is aangegeven dat er met het geld uit de lening met Dubai is gehandeld zodat dit geldbedrag heeft gefluctueerd tot aan het moment waarop het in beslag is genomen.
De verklaringen van [betrokkene 3] en [verdachte] blijken ten aanzien van de beweerdelijke lening niet overeen te komen, waarbij zij ook wisselend en onduidelijk hebben verklaard.
Dit in samenhang bezien met de bevindingen van de Belastingdienst, maakt dat het hof, met de rechtbank, van oordeel is dat de verklaring met betrekking tot de lening in Dubai als ongeloofwaardig moet worden bestempeld. Naar het oordeel van het hof kan in voldoende mate worden uitgesloten dat het geldbedrag ad € 40.000,- uit een lening voort is gekomen en daarmee is geen legale herkomst vast te stellen.”