Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het cassatiemiddel
Deze verordening stelt geharmoniseerde maatregelen vast voor het intracommunautaire toezicht op bepaalde stoffen die vaak voor de illegale vervaardiging van verdovende middelen en psychotrope stoffen worden gebruikt, teneinde misbruik van deze stoffen te voorkomen.”
Daarbij verdient het volgende opmerking. Artikel 6 EVRM Pro en de daarop betrekking hebbende rechtspraak van het Europese Hof voor de rechten van de mens en van de Hoge Raad kunnen meebrengen - mede gelet op de zwaarte van de op het opzettelijk niet-naleven van artikel 8 lid 1 Verordening Pro gestelde straf – dat op grond van deze bepaling verstrekte informatie niet mag worden gebruikt voor het bewijs van een door de verstrekker van die informatie begaan strafbaar feit, voor zover die informatie een door hem afgelegde, al dan niet in een document vervatte, verklaring betreft (vgl. EHRM 17 december 1996, nr. 19187/91 (Saunders tegen het Verenigd Koninkrijk), HR 19 september 2006, ECLI:NL:HR:2006:AV1141 en HR 21 december 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL0666).
Daarmee is gewaarborgd dat een vervolging wegens het niet-naleven van de verplichting van artikel 8 lid 1 Verordening Pro aan het nemo tenetur-beginsel geen afbreuk zal doen (vgl. over het belang van deze waarborg onder meer EHRM 21 april 2009, nr. 19235/03 (Marttinen tegen Finland), § 75 en EHRM 5 april 2012, nr. 11663/04 (Chambaz tegen Zwitserland), § 54).
3.Beslissing
15 juni 2021.