ECLI:NL:PHR:2021:850

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
21 september 2021
Publicatiedatum
20 september 2021
Zaaknummer
20/01830
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Vrijspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8 Verordening (EG) nr. 273/2004Art. 2 Verordening (EG) nr. 273/2004Art. 3 Verordening (EG) nr. 273/2004Art. 4 Verordening (EG) nr. 273/2004Art. 5 Verordening (EG) nr. 273/2004
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak wegens niet-melden van voorval met geregistreerde stoffen onder Europese verordening drugsprecursoren

In deze zaak stond de verdachte terecht voor het niet onverwijld melden van voorvallen met geregistreerde stoffen die mogelijk misbruikt zouden worden voor de illegale vervaardiging van verdovende middelen, zoals voorgeschreven in art. 8 lid 1 van Pro Verordening (EG) nr. 273/2004. De verdachte had in de periode van 10 november tot en met 11 december 2015 diverse hoeveelheden zoutzuur, zwavelzuur en andere chemicaliën vervoerd, ontvangen en opgeslagen.

Het hof oordeelde dat hoewel de verdachte als marktdeelnemer kan worden aangemerkt, de aard van zijn gedragingen en de omstandigheden waaronder deze plaatsvonden niet voldeden aan de criteria van een meldingsplichtig voorval zoals bedoeld in de verordening. Daarom sprak het hof de verdachte vrij van het onder feit 2 tenlastegelegde.

De Hoge Raad bevestigt deze vrijspraak en benadrukt de noodzaak van een juiste interpretatie van begrippen als 'marktdeelnemer' en 'voorval' in de context van de Europese regelgeving. Tevens wordt gewezen op de balans tussen het voorkomen van misbruik van drugsprecursoren en het toestaan van legale handel in deze stoffen. De zaak bevat uitgebreide bewijsvoering, waaronder observaties, tapgesprekken, en forensische analyses, die de betrokkenheid van de verdachte bij het vervoer en de opslag van chemicaliën aantonen, maar niet leiden tot een meldingsplichtig voorval.

De conclusie van de procureur-generaal en de jurisprudentie onderstrepen dat niet elk handelen met geregistreerde stoffen automatisch een meldingsplichtig voorval oplevert. De Hoge Raad bevestigt dat de meldingsplicht zich richt op specifieke ongewone orders of transacties die wijzen op mogelijk misbruik, hetgeen in deze zaak niet voldoende is vastgesteld.

Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken van het niet melden van een voorval met geregistreerde stoffen onder art. 8 Verordening (EG) nr. 273/2004.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer20/01830
Zitting21 september 2021
CONCLUSIE
B.F. Keulen
In de zaak
[verdachte]
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1989.
hierna: de verdachte.
1. De verdachte is bij arrest van 11 juni 2020 door het Gerechtshof 's-Hertogenbosch wegens ‘medeplegen van het voorbereiden of het bevorderen een feit, bedoeld in het vierde en vijfde lid van artikel 10 van Pro de Opiumwet, door een ander gelegenheid tot het plegen van dat feit trachten te verschaffen en vervoermiddelen en stoffen voorhanden hebben, waarvan hij weet dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit, meermalen gepleegd’ veroordeeld tot 15 maanden gevangenisstraf, waarvan 5 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren en met aftrek van voorarrest als bedoeld in art. 27 Sr Pro. [1]
2. Er bestaat samenhang met de zaken 20/01858, 20/01829, 20/01792, 20/01828 en 20/01831. In de zaken 20/01829, 20/01828 en 20/01831 zal ik vandaag ook concluderen. In de zaken 20/01858 en 20/01792 heb ik op 6 juli 2021 geconcludeerd.
3. Het cassatieberoep is ingesteld door het openbaar ministerie. Het openbaar ministerie heeft één middel van cassatie voorgesteld.
4. Het
middelziet op de vrijspraak van het onder 2 tenlastegelegde.
5. Onder 2 is aan de verdachte tenlastegelegd dat:
‘hij, als marktdeelnemer, op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 10 november 2015 tot en met 11 december 2015 te Luik (België) en/of [plaats] (België), gemeente Remicourt (België), provincie Luik (België), in elk geval in België en/of Eindhoven en/of [plaats], en/of Urmond, gemeente Stein en/of Eersel, en/of Waalre, in elk geval in Nederland, meermalen, althans eenmaal,
tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,
opzettelijk de bevoegde instanties niet onverwijld in kennis heeft gesteld van (een) voorval(len) met betrekking tot geregistreerde stoffen als omschreven in bijlage 1 van de Verordening nr. 273/2004 van het Europees Parlement en de Raad, die/dat er op wijzen/wijst of kunnen/kan wijzen, dat deze in de handel te brengen geregistreerde stoffen wellicht misbruikt zullen worden voor de illegale vervaardiging van verdovende middelen en/of psychotrope stoffen,
hebbende hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) opzettelijk
* op of omstreeks 10 november 2015 een hoeveelheid zoutzuur
en/of
* op of omstreeks 24 november 2015 een hoeveelheid zoutzuur
en/of
* op of omstreeks 27 november 2015 een hoeveelheid van 216 kilogram zoutzuur
en/of
* op of omstreeks 10 december 2015 een hoeveelheid zoutzuur
en/of
* op of omstreeks 11 december 2015 (een) hoeveelhe(i)d(en) van 15 jerrycans (van 25 liter per stuk) zoutzuur en/of 7 jerrycans (6 van 20 liter per stuk en 1 van 30 liter per stuk) zwavelzuur
vervoerd en/of ontvangen en/of opgeslagen en/of voorhanden gehad.’
6. Het hof heeft de vrijspraak als volgt gemotiveerd:
‘Het hof heeft uit het onderzoek ter terechtzitting niet door de inhoud van wettige bewijsmiddelen de overtuiging bekomen dat verdachte het onder 2 tenlastegelegde heeft begaan, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.
De aan verdachte onder feit 2 tenlastegelegde schending van de meldplicht van verdachte is gebaseerd op de Europese verordening die regels stelt over het toezicht op de (internationale) handel binnen de Europese Unie (interne handel) in drugsprecursoren (Vo. 273/2004 van 11 februari 2004, aangepast bij Vo. 1258/2013 van 20 november 2013). Drugsprecursoren zijn grondstoffen die niet alleen kunnen worden gebruikt voor de vervaardiging van legale chemische producten, maar kunnen ook worden misbruikt voor de illegale productie van drugs. Het met deze verordeningen ingestelde controlesysteem is bedoeld om te voorkomen dat deze stoffen worden gebruikt voor de illegale productie van verdovende middelen en psychotrope stoffen. Omdat het merendeel van deze stoffen ook voor talloze legale doeleinden kan worden gebruikt en de handel in deze stoffen in beginsel legaal is, kan de handel in deze stoffen niet algemeen worden verboden. In Europese verordeningen – waaronder de genoemde verordening 273/2004 – zijn daarom maatregelen genomen om het juiste evenwicht te vinden tussen enerzijds de wens te voorkomen dat drugsprecursoren in handen komen van illegale drugsproducenten en anderzijds het streven om de chemische bedrijfstak in staat te stellen nuttige en legale toepassingen aan deze stoffen te blijven geven.
De aan de verdachte ten laste gelegde schending van de meldplicht is toegesneden op art. 8 lid 1 van Pro de genoemde verordening. Deze bepaling luidt: ‘De marktdeelnemers stellen de bevoegde instanties onverwijld in kennis van elk voorval; zoals ongewone orders voor of transacties met geregistreerde stoffen, dat erop kan wijzen dat deze in de handel te brengen stoffen wellicht worden misbruikt om verdovende middelen of psychotrope stoffen op illegale wijze te vervaardigen. Daartoe verstrekken de marktdeelnemers alle beschikbare informatie aan de hand waarvan de bevoegde instanties de legitimiteit van de desbetreffende order of transactie kunnen verifiëren’. De in de tenlastelegging voorkomende termen, zoals ‘marktdeelnemers’ en ‘voorval’, moeten daarom worden geacht te zijn gebruikt in dezelfde betekenis als daaraan toekomt in (artikel 8 lid 1 van Pro) de genoemde verordening.
Het begrip ‘markdeelnemer’ wordt in artikel 2, onder d van de genoemde verordening ruim omschreven als: ‘elke natuurlijke of rechtspersoon die betrokken is bij het in de handel brengen van geregistreerde stoffen’. Het hof acht de verdachte weliswaar aan te merken als een marktdeelnemer in de genoemde zin. Echter, gelet op zowel de strekking van de genoemde verordening – waarbij onder andere met vergunnings-, registratie- en meldingsplichten wordt getracht een juist evenwicht tussen illegale en legale praktijken te bewerkstellingen – als die van de delictsomschrijving van artikel 8 lid 1 van Pro de genoemde verordening, acht het hof de aard van de ten laste gelegde en feitelijk verrichte gedragingen van de verdachte en de omstandigheden waaronder deze plaatsvonden – zijnde het vervoeren en/of ontvangen en/of opslaan en/of voorhanden hebben van geregistreerde stoffen – niet als zodanig dat in casu sprake is van een meldingsplichtig ‘voorval’, zoals bedoeld in artikel 8 lid 1 Vo Pro. 273/2004.
De verdachte zal dan ook worden vrijgesproken van het onder feit 2 tenlastegelegde.’
7. De steller van het middel klaagt dat het hof met het oordeel dat gelet op de strekking van de verordening, de aard van de feitelijk verrichte gedragingen van de verdachte en de omstandigheden waaronder deze plaatsvonden niet zodanig waren dat sprake was van een meldingsplichtig voorval als bedoeld in art. 8, eerste lid, van Verordening (EG) nr. 273/2004, blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door aan dit begrip een te beperkte uitleg te geven. Indien Uw Raad van oordeel zou zijn dat het hof wel de juiste maatstaf heeft gehanteerd, is ’s hofs oordeel volgens de steller van het middel mede gelet op de vaststellingen die het hof heeft gedaan ten aanzien van de onder 1 bewezenverklaarde voorbereiding als bedoeld in art. 10a Opiumwet niet zonder meer begrijpelijk, althans ontoereikend gemotiveerd.
8. Alvorens ik het middel bespreek geef ik de regelgeving en jurisprudentie weer die van belang is in verband met de beoordeling van (het onder 2 tenlastegelegde en) het middel. Voorts citeer ik de bewezenverklaring van feit 1, een deel van de daarop betrekking hebbende bewijsmiddelen en de bijbehorende bewijsoverweging. Wie zich eerst – kort – wil informeren over de feiten in deze zaak, kan kennisnemen van die bewijsoverweging (randnummer 36).
Relevante regelgeving en jurisprudentie
9. Verordening (EG) nr. 273/2004, [2] zoals gewijzigd door Verordening (EG) nr. 1258/2013, [3] bevatte ten tijde van het tenlastegelegde feit onder meer de volgende artikelen:

Artikel 1
Toepassingsgebied en doel
Deze verordening stelt geharmoniseerde maatregelen vast voor het toezicht binnen de Unie op bepaalde stoffen die vaak voor de illegale vervaardiging van verdovende middelen en psychotrope stoffen worden gebruikt, teneinde misbruik van deze stoffen te voorkomen.
Artikel 2
Definities
Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:
a) geregistreerde stof: elke in bijlage I genoemde stof die kan worden gebruikt voor de illegale vervaardiging van verdovende middelen of psychotrope stoffen, met inbegrip van mengsels en natuurproducten die dergelijke stoffen bevatten; (…)
b) niet-geregistreerde stof: elke stof die niet in bijlage I wordt genoemd, maar waarvan bekend is dat ze is gebruikt bij de illegale vervaardiging van verdovende middelen of psychotrope stoffen;
c) in de handel brengen: elke levering, al dan niet tegen betaling, van geregistreerde stoffen in de Unie, dan wel, met het oog op de levering ervan in de Unie, de opslag, vervaardiging, productieverwerking, de handel, distributie of handelsbemiddeling in deze stoffen;
d) marktdeelnemer: elke natuurlijke of rechtspersoon die betrokken is bij het in de handel brengen van geregistreerde stoffen;
e) (…)
f) speciale vergunning: een vergunning die wordt afgegeven aan een welbepaald type marktdeelnemer;
g) speciale registratie: een registratie die wordt uitgevoerd voor een welbepaald type marktdeelnemer;
h) gebruiker: een natuurlijke of rechtspersoon die geen marktdeelnemer is en die een geregistreerde stof in bezit houdt en zich bezighoudt met de verwerking, formulering, verbruik, opslag, bewaring, behandeling, overbrenging in recipiënten, overbrenging van de ene recipiënt naar de andere, vermenging, omzetting of enig ander gebruik van geregistreerde stoffen;
i) (…).
Artikel 3
Voorschriften voor het in de handel brengen van geregistreerde stoffen
1. Elke marktdeelnemer die geregistreerde stoffen van de categorieën 1 en 2 van bijlage I in de handel wil brengen, moet een verantwoordelijke aanwijzen voor de handel in geregistreerde stoffen, aan de bevoegde instanties de naam en de contactgegevens van deze persoon meedelen en hen onverwijld van elke wijziging van deze gegevens in kennis stellen. (…)
2. Alvorens geregistreerde stoffen van categorie 1 van bijlage I in hun bezit te mogen houden of in de handel te mogen brengen, verkrijgen marktdeelnemers en gebruikers een vergunning die door de bevoegde instanties van de lidstaat waar zij zijn gevestigd, is afgegeven. (…)
3. Marktdeelnemers die houder zijn van een vergunning, leveren geregistreerde stoffen van categorie 1 van bijlage I alleen aan marktdeelnemers of gebruikers die zelf tevens houder zijn van een vergunning en die een afnemersverklaring als bedoeld in artikel 4, lid 1, hebben ondertekend.
(…)
6. Marktdeelnemers verkrijgen een door de bevoegde instanties van de lidstaat waar zij zijn gevestigd afgegeven registratie alvorens geregistreerde stoffen van categorie 2 van bijlage I in de handel te brengen. (…)
6 bis. Marktdeelnemers die houder zijn van een registratie, leveren geregistreerde stoffen van subcategorie 2A van bijlage I alleen aan andere marktdeelnemers of gebruikers die zelf houder zijn van een dergelijke registratie en die een afnemersverklaring als bedoeld in artikel 4, lid 1, hebben ondertekend.
(…)
Artikel 4
Afnemersverklaring
1. Onverminderd lid 4 van dit artikel en de artikelen 6 en 14, vraagt elke in de Unie gevestigde marktdeelnemer die aan een afnemer een geregistreerde stof van categorie 1 of 2 van bijlage I levert de afnemer om een verklaring waarin de gebruiksdoeleinden van de geregistreerde stof worden gespecificeerd. (…)
2. In plaats van de in lid 1 bedoelde verklaring voor afzonderlijke transacties mag een marktdeelnemer die een afnemer regelmatig een geregistreerde stof van categorie 2 van bijlage I bij deze verordening levert, voor meerdere transacties met deze geregistreerde stof binnen een periode van maximaal één jaar ook één enkele verklaring aanvaarden, mits hij zich ervan heeft vergewist dat aan de volgende criteria is voldaan:
a) hij heeft de stof in de voorafgaande twaalf maanden al ten minste driemaal aan deze afnemer geleverd;
b) hij heeft geen reden om aan te nemen dat de stof voor illegale doeleinden zal worden gebruikt;
c) de bestelde hoeveelheden zijn niet ongebruikelijk voor die afnemer.
(…)
3. Marktdeelnemers die stoffen van categorie 1 van bijlage I leveren, stempelen en dateren een kopie van de afnemersverklaring om te bevestigen dat de kopie met het origineel overeenstemt. Deze kopie moet elk vervoer van stoffen van categorie 1 in de Unie vergezellen en op verzoek worden getoond aan de autoriteiten die bevoegd zijn de inhoud van voertuigen tijdens het vervoer te controleren.
(…)
Artikel 5
Documenten
1. Onverminderd artikel 6 zorgen Pro de marktdeelnemers ervoor dat elke transactie die leidt tot het in de handel brengen van geregistreerde stoffen van categorie 1 of 2 van bijlage I, overeenkomstig de leden 2 tot en met 5 naar behoren gedocumenteerd is. Deze verplichting geldt niet voor marktdeelnemers die houder zijn van een speciale vergunning of die het voorwerp uitmaken van een speciale registratie in de zin van artikel 3, respectievelijk de leden 2 en 6.
2. De handelsbescheiden, zoals facturen, vrachtbrieven, administratieve bescheiden en vervoer- en andere verzendingsdocumenten, moeten voldoende informatie bevatten om het volgende met zekerheid te kunnen vaststellen:
a) de naam van de geregistreerde stof zoals die in de categorieën 1 en 2 van bijlage I voorkomt;
b) de hoeveelheid en het gewicht van de geregistreerde stof en, in geval van mengsels of natuurproducten, de hoeveelheid en het gewicht, indien beschikbaar, van het mengsel of het natuurproduct, evenals de hoeveelheid en het gewicht, of het gewichtspercentage, van elke in het mengsel voorkomende stof van categorie 1 of 2 van bijlage I;
c) de naam en het adres van de leverancier, de distributeur, de geconsigneerde en, in voorkomend geval, van andere marktdeelnemers die rechtstreeks bij de transactie betrokken zijn, zoals gedefinieerd in artikel 2, onder c) en d).
3. De documentatie moet bovendien de in artikel 4 bedoelde Pro afnemersverklaring bevatten.
4. De marktdeelnemers bewaren deze documenten betreffende hun activiteiten om te kunnen voldoen aan hun verplichtingen uit hoofde van lid 1.
(…)
Artikel 6
Vrijstellingen
De voorschriften in de artikelen 3, 4 en 5 gelden niet voor transacties in geregistreerde stoffen van categorie 2 van bijlage I, indien het gaat om hoeveelheden die, over een periode van één jaar, niet groter zijn dan die welke in bijlage II worden genoemd.
Artikel 7
Etikettering
De marktdeelnemers zorgen ervoor dat geregistreerde stoffen van categorie 1 of 2 van bijlage I van een etiket zijn voorzien alvorens ze geleverd worden. Het etiket vermeldt de naam van de stof zoals deze in bijlage I is vermeld. De marktdeelnemers mogen daarnaast ook hun gewone etiketten aanbrengen.
(…)
Artikel 8
Kennisgeving aan de bevoegde instanties
1. De marktdeelnemers stellen de bevoegde instanties onverwijld in kennis van elk voorval, zoals ongewone orders voor of transacties met in de handel te brengen geregistreerde stoffen, dat erop kan wijzen dat die in de handel te brengen stoffen wellicht worden misbruikt om verdovende middelen of psychotrope stoffen op illegale wijze te vervaardigen. Daartoe verstrekken de marktdeelnemers alle beschikbare informatie aan de hand waarvan de bevoegde instanties de legitimiteit van de desbetreffende order of transactie kunnen verifiëren.
2. De marktdeelnemers verstrekken de bevoegde instanties beknopte relevante informatie over hun transacties met geregistreerde stoffen.
(…)
Artikel 9
Richtsnoeren
1. De Commissie stelt richtsnoeren op en werkt ze bij om de samenwerking tussen de bevoegde instanties, de marktdeelnemers en de chemische industrie te vergemakkelijken, met name ten aanzien van niet-geregistreerde stoffen.
2. De richtsnoeren omvatten met name:
a) informatie over manieren om verdachte transacties te herkennen en te melden;
b) een geregeld bijgewerkte lijst van niet-geregistreerde stoffen, om de industrie in staat te stellen vrijwillig op de handel in deze stoffen toe te zien;
c) andere eventueel nuttig geachte informatie.
3. De bevoegde instanties zorgen ervoor dat de richtsnoeren en de in lid 2, onder b, bedoelde lijst geregeld op een door hen gepast geachte wijze worden verspreid, overeenkomstig de doeleinden van de richtsnoeren.
Artikel 10
Bevoegdheden en plichten van de bevoegde instanties
1. Met het oog op een correcte toepassing van de artikelen 3 tot en met 8 neemt elke lidstaat de nodige maatregelen om de bevoegde instanties in staat te stellen hun controle- en toezichtstaken uit te oefenen, en met name:
a) informatie te verkrijgen over alle orders voor of transacties met geregistreerde stoffen;
b) de bedrijfsruimten van de marktdeelnemers en gebruikers te betreden om bewijzen van onregelmatigheden te verzamelen;
c) waar nodig, zendingen vast te houden en in beslag te nemen die niet voldoen aan het bepaalde in deze verordening.
2. Elke lidstaat kan de nodige maatregelen vaststellen om zijn bevoegde instanties in staat te stellen de controle van en het toezicht op verdachte transacties met niet-geregistreerde stoffen uit te voeren, en met name:
a) informatie te verkrijgen over alle orders voor of transacties met niet-geregistreerde stoffen;
b) bedrijfsruimten te betreden om bewijzen van verdachte transacties met niet-geregistreerde stoffen te verzamelen;
c) waar nodig, zendingen vast te houden en in beslag te nemen om te voorkomen dat specifieke niet-geregistreerde stoffen worden gebruikt voor de illegale vervaardiging van verdovende middelen of psychotrope stoffen.
(…)
Artikel 12
Sancties
De lidstaten stellen de sancties vast die bij overtreding van deze verordening worden opgelegd en nemen alle nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat de verordening wordt toegepast. De sancties moeten doeltreffend, evenredig en afschrikkend zijn.’
10. Zoutzuur en zwavelzuur staan vermeld in categorie 3 van Bijlage I bij Verordening (EG) nr. 273/2004.
11. Verordening (EG) nr. 273/2004 verving Richtlijn 92/109/EEG (zie art. 17). [4] Art. 5 van Pro die richtlijn verplichtte de lidstaten de nodige maatregelen te nemen ‘om ervoor te zorgen dat een nauwe samenwerking tot stand wordt gebracht tussen de bevoegde autoriteiten en de deelnemers aan het handelsverkeer opdat deze laatsten - de bevoegde autoriteiten onverwijld in kennis stellen van alle voorvallen, zoals ongebruikelijke orders en transacties betreffende geregistreerde stoffen, die doen vermoeden dat deze stoffen die in de handel zullen worden gebracht dan wel vervaardigd, misbruikt kunnen worden voor de illegale vervaardiging van verdovende middelen of psychotrope stoffen’. Aan die verplichting was uitvoering gegeven in art. 2 van Pro de Wet voorkoming misbruik chemicaliën die in 1995 tot stand kwam. [5] Dat artikel bepaalde dat nader omschreven (rechts)personen de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport onverwijld in kennis dienden te stellen ‘van alle voorvallen die doen vermoeden dat geregistreerde stoffen die in de handel zullen worden gebracht, zullen worden vervaardigd of voor de in-, uit-, of doorvoer zijn bestemd, misbruikt kunnen of zullen worden voor de illegale vervaardiging van verdovende middelen of psychotrope stoffen’.
12. De overwegingen bij Verordening (EG) nr. 273/2004 houden onder meer het volgende in:
‘(2) Artikel 12 van Pro het Verdrag van Wenen, dat betrekking heeft op de handel in drugsprecursoren (stoffen die vaak worden gebruikt bij de illegale vervaardiging van verdovende middelen en psychotrope stoffen), wordt, wat de handel tussen de Gemeenschap en derde landen betreft, uitgevoerd bij Verordening (EEG) nr. 3677/90 van de Raad van 13 december 1990 houdende maatregelen om te voorkomen dat bepaalde stoffen worden misbruikt voor de illegale vervaardiging van verdovende middelen en psychotrope stoffen (…).
(3) Artikel 12 van Pro het Verdrag van Wenen voorziet in het treffen van passende maatregelen om toezicht uit te oefenen op de vervaardiging en distributie van precursoren. Dit vereist maatregelen betreffende de handel in precursoren tussen de lidstaten. Deze zijn genomen bij Richtlijn 92/109/EEG van de Raad van 14 december 1992 inzake de vervaardiging en het in de handel brengen van bepaalde stoffen die worden gebruikt voor de illegale vervaardiging van verdovende middelen en psychotrope stoffen (…). Met het oog op de gelijktijdige toepassing van geharmoniseerde voorschriften in alle lidstaten wordt een verordening geschikter geacht dan de huidige richtlijn,
(…)
(10) Er moeten maatregelen worden genomen om de marktdeelnemers te stimuleren de bevoegde instanties in kennis te stellen van verdachte transacties met de in bijlage I genoemde stoffen.
(11) Er moeten maatregelen worden genomen om een beter toezicht op de handel in de in bijlage I genoemde geregistreerde stoffen binnen de Gemeenschap te waarborgen.
(12) Alle transacties die ertoe leiden dat geregistreerde stoffen van categorie 1 of 2 van bijlage I in de handel worden gebracht, moeten goed gedocumenteerd zijn. De marktdeelnemers moeten de bevoegde instanties elke verdachte transactie met de in bijlage I genoemde stoffen melden. Transacties in stoffen van categorie 2 van bijlage I moeten hiervan echter zijn vrijgesteld, indien het gaat om hoeveelheden die niet groter zijn dan die welke in bijlage II worden genoemd.
(13) Van een aanzienlijk aantal andere stoffen, waarvan er vele legaal in grote hoeveelheden worden verhandeld, is bekend dat ze als precursoren bij de illegale vervaardiging van synthetische drugs en psychotrope stoffen worden gebruikt. Een even strenge controle op deze stoffen als op die in de bijlage zou een onnodige handelsbelemmering in de vorm van bedrijfsvergunningen en documentatie van handelstransacties betekenen. Er moet derhalve op communautair niveau een flexibeler mechanisme worden ingesteld waarbij dergelijke transacties aan de bevoegde instanties in de lidstaten worden gemeld.’
13. Art. 12 van Pro het Verdrag van Wenen, waar in deze overwegingen naar wordt verwezen, bepaalt onder meer dat ‘de Partijen de door hen passend geachte maatregelen (nemen) voor het houden van toezicht binnen hun grondgebied op de vervaardiging en distributie’ van nader omschreven stoffen (achtste lid onder a). [6] En dat elke Partij ten aanzien van nader omschreven stoffen ‘een systeem van toezicht op de internationale handel’ in stand houdt ‘teneinde de ontdekking van verdachte transacties te vergemakkelijken. Deze toezichtsystemen worden toegepast in nauwe samenwerking met fabrikanten, importeurs, exporteurs en groot- en kleinhandelaren, die de bevoegde autoriteiten inlichten over verdachte orders en transacties’ (negende lid onder a).
14. Art. 2, aanhef en onder a, Wet voorkoming misbruik van chemicaliën (verder ook wel Wvmc) bepaalde ten tijde van het tenlastegelegde feit dat het verboden is ‘te handelen in strijd met voorschriften gesteld bij of krachtens (..) de artikelen (…) 8 van Verordening nr. 273/2004’. [7] Overtreding van de bij of krachtens art. 2, onder a, Wvmc gestelde voorschriften was destijds en is ook thans krachtens art. 1, sub 1o, WED een economisch delict. Voor zover dit economisch delict opzettelijk is begaan, is het een misdrijf dat met maximaal zes jaar gevangenisstraf kan worden bestraft (art. 2, eerste lid, en art. 6, eerste lid, onder 1o, WED).
15. De Memorie van Toelichting bij de ‘Wijziging van de Wet voorkoming misbruik chemicaliën en de Wet op de economische delicten ter uitvoering van een drietal EG-verordeningen inzake handel in drugsprecursoren’ houdt, voor zover van belang, het volgende in: [8]
‘Op grond van artikel 12 van Pro het Verdrag van de Verenigde Naties tegen de sluikhandel in verdovende middelen en psychotrope stoffen (Verdrag van Wenen, 1988) is een systeem vereist om toezicht te houden op de internationale handel in drugsprecursoren. Dit systeem moet ervoor zorgen dat de stoffen die nodig zijn om verdovende middelen en psychotrope stoffen te vervaardigen, niet in handen komen van personen die zich bezighouden met de (illegale) productie hiervan.
Omdat deze stoffen ook voor talloze legale doeleinden kunnen worden gebruikt en de handel in deze stoffen in beginsel legaal is, kan toegang tot deze stoffen niet algemeen worden verboden. Er moeten derhalve maatregelen worden genomen om het juiste evenwicht te vinden tussen enerzijds de wens om te voorkomen dat drugsprecursoren in handen komen van illegale drugsproducenten en anderzijds het streven om te voorzien in de commerciële behoeften van de chemische bedrijfstak.
(…)
In 2004 zijn (…) twee Europese verordeningen vastgesteld met betrekking tot de vervaardiging en/of handel in en het toezicht op de in- en uitvoer van drugsprecursoren. Het betreft de verordening (EG) nr. 273/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 11 februari 2004 inzake drugsprecursoren (PbEU L 47) en de verordening (EG) nr. 111/2005 van de Raad van 22 december 2004 houdende voorschriften voor het toezicht op de handel tussen de Gemeenschap en derde landen in drugsprecursoren (PbEU L 22). (…). De Wvmc bevat de implementatie van beide regelingen en dient dan ook te worden aangepast. Dat houdt in dat diverse bepalingen komen te vervallen of worden vervangen, aangezien de desbetreffende materie nu in de verordeningen wordt geregeld. Om uitvoering te geven aan de verordeningen, is het echter noodzakelijk dat er in de nationale regelgeving sancties worden opgelegd in geval van overtreding van specifieke bepalingen in de verordeningen. Dit is tevens als verplichting neergelegd in artikel 31, van Verordening nr. 111/2005 en artikel 12, van Verordening nr. 273/2004. Er is voor gekozen om het systeem van de Wvmc aan te houden en de verbodsbepalingen onder de Wet op de economische delicten (hierna: WED) te brengen.’
16. Een verplichting tot het melden van voorvallen is niet alleen opgenomen in Verordening (EG) nr. 273/2004. Ook in art. 9 van Pro Verordening (EG) nr. 111/2005 is een daartoe strekkende verplichting opgenomen, die eveneens via art. 2, aanhef en onder a, Wvmc strafrechtelijk wordt gehandhaafd. [9] Art. 9, eerste lid, Verordening (EG) nr. 111/2005, zoals gewijzigd door Verordening (EU) nr. 1259/2013 [10] , luidde ten tijde van de tenlastegelegde gedragingen als volgt:

Artikel 9
1. De in de Unie gevestigde marktdeelnemers stellen de bevoegde instanties onverwijld in kennis van elk voorval, zoals ongewone orders voor of transacties met geregistreerde stoffen, dat erop kan wijzen dat dergelijke voor in- en uitvoer of intermediaire activiteiten bestemde stoffen wellicht worden misbruikt om verdovende middelen of psychotrope stoffen op illegale wijze te vervaardigen.
De marktdeelnemers verstrekken daartoe alle beschikbare informatie, zoals:
a) de naam van de geregistreerde stof;
b) de hoeveelheid en het gewicht van de geregistreerde stof;
c) de naam en het adres van de exporteur, de importeur, de uiteindelijke ontvanger en, in voorkomend geval, de persoon die zich bezighoudt met de intermediaire activiteiten.
Deze informatie wordt uitsluitend verzameld om misbruik van geregistreerde stoffen te voorkomen.’ [11]
17. Vragen betreffende de interpretatie van beide verordeningen worden van een antwoord voorzien in het ‘
Guidance document agreed between the Commission services and the competent authorities of Member States on the implementation of the Community legislation on drug precursors‘. [12] De opgestelde teksten zijn niet (juridisch) bindend voor de bevoegde autoriteiten van de lidstaten; het document geeft de mening weer van de betrokken ‘
Commission services’; ook de Commissie is er niet aan gebonden. [13]
18. Verordening (EG) nr. 1277/2005 bevatte aanvankelijk voorschriften voor de toepassing van de twee genoemde verordeningen. [14] Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 2015/1011 bevatte ten tijde van het tenlastegelegde feit en thans aanvullende voorschriften bij Verordening (EG) nr. 273/2004 en Verordening (EG) nr. 111/2005. [15] Op grond van art. 9, eerste lid, verstrekt de marktdeelnemer voor de toepassing van art. 8, tweede lid, van Verordening (EG) nr. 273/2004 ‘de bevoegde instanties beknopt informatie over de hoeveelheden van geregistreerde stoffen die worden gebruikt of geleverd en, in het geval van levering, de hoeveelheden die aan iedere derde worden geleverd. Voor geregistreerde stoffen van categorie 3 van bijlage I bij Verordening (EG) nr. 273/2004 is de eerste alinea uitsluitend op verzoek van de bevoegde instanties van toepassing’. Uitvoeringsverordening (EU) nr. 2015/1013 bevat eveneens (aanvullende) voorschriften bij beide verordeningen. [16] De Gedelegeerde Verordening is met ingang van 1 juli 2015 van toepassing; Verordening (EG) nr. 1277/2005 is daarbij ingetrokken. De Wet voorkoming misbruik chemicaliën is in 2018 – en derhalve na het tenlastegelegde feit – aan deze wijzigingen in de Europese regelgeving aangepast. [17]
19. Een enigszins vergelijkbare meldingsplicht is opgenomen in de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (verder Wwft). [18] De artikelen 15, eerste lid, 16, eerste lid, en 19, eerste en tweede lid, luiden als volgt:
Artikel 15
‘1. Bij algemene maatregel van bestuur worden, zo nodig per daarbij te onderscheiden categorieën transacties, indicatoren vastgesteld aan de hand waarvan wordt beoordeeld of een transactie wordt aangemerkt als een ongebruikelijke transactie.’
Artikel 16
‘1. Een instelling meldt een verrichte of voorgenomen ongebruikelijke transactie onverwijld nadat het ongebruikelijke karakter van de transactie bekend is geworden, aan de Financiële inlichtingen eenheid.
Artikel 19
‘1. Gegevens of inlichtingen die in overeenstemming met de artikelen 16 of 17 te goeder trouw zijn verstrekt, kunnen niet dienen als grondslag voor of ten behoeve van een opsporingsonderzoek of een vervolging wegens verdenking van, of als bewijs ter zake van een tenlastelegging wegens witwassen of financieren van terrorisme door de instelling die deze gegevens of inlichtingen heeft verstrekt
2. Gegevens of inlichtingen die zijn verstrekt in de redelijke veronderstelling dat uitvoering wordt gegeven aan de artikelen 16 of 17 kunnen niet dienen als grondslag voor of ten behoeve van een opsporingsonderzoek of een vervolging wegens verdenking van, of als bewijs ter zake van een tenlastelegging wegens, overtreding van artikel 272 van Pro het Wetboek van Strafrecht door de instelling die deze gegevens of inlichtingen heeft verstrekt.’
20. Art. 4 Uitvoeringsbesluit Pro Wwft 2018 bepaalt dat de indicatoren, bedoeld in artikel 15, eerste lid, van de wet, zijn vastgesteld in de bijlage bij dit besluit. Die bijlage omschrijft bij verschillende instellingen verschillende toepasselijke indicatoren. Zo wordt als instelling onder meer genoemd een ‘Beroeps- of bedrijfsmatig handelende koper of verkoper van goederen, voor zover betaling van deze goederen in contanten plaatsvindt voor een bedrag van € 10.000 of meer’. Toepasselijke indicator is onder meer ‘Een transactie waarbij tegen geheel of gedeeltelijke contante betaling een of meerdere voertuigen, schepen, kunstvoorwerpen, antiquiteiten, edelstenen, edele metalen, sieraden of juwelen gekocht of verkocht worden, waarbij het contant te betalen bedrag € 20.000,- of meer bedraagt’.
21. Deze meldingsplicht hangt samen met art. 33 van Pro de vierde anti-witwasrichtlijn (Richtlijn (EU) 2015/849 [19] , dat thans als volgt luidt:
‘1. De lidstaten verlangen dat de meldingsplichtige entiteiten en, in voorkomend geval, de bestuurders en werknemers daarvan, ten volle samenwerken door:
a) de FIE onmiddellijk en uit eigen beweging in te lichten, inclusief door het doen van een melding, indien de meldingsplichtige entiteit weet, vermoedt of redelijkerwijs kan vermoeden dat geldmiddelen, ongeacht het bedrag, opbrengsten van criminele activiteiten zijn of met terrorismefinanciering verband houden en door het in dergelijke gevallen onmiddellijk reageren op verzoeken van de FIE om bijkomende informatie, en
b) de FIE op haar verzoek rechtstreeks alle noodzakelijke informatie te verstrekken. Alle verdachte transacties, met inbegrip van transactiepogingen, worden gemeld.
2. De persoon die overeenkomstig artikel 8, lid 4, onder a), is aangesteld, stuurt de in lid 1 bedoelde informatie door aan de FIE van de lidstaat op het grondgebied waarvan de meldingsplichtige entiteit die de informatie doorstuurt, gevestigd is.’ [20]
22. Niet alleen overeenkomsten, maar ook verschillen met de meldingsplicht in de vierde anti-witwasrichtlijn kunnen licht werpen op de reikwijdte van de meldingsplichten inzake drugsprecursoren. De meldingsplicht betreffende witwassen strekt ertoe transacties aan het licht te brengen die met uit de baten van strafbare feiten verworven voorwerpen van doen hebben. Dat kan verklaren waarom zowel de aankoop van een auto voor meer dan € 20.000 aan contant geld als de verkoop van een auto voor meer dan € 20.000 aan contant geld meldingsplichtig is. Bij de meldingsplicht inzake drugsprecursoren staat niet de wijze van verwerving van het voorwerp centraal, maar de aard van het voorwerp.
23. Ook een tweede verschil springt in het oog. In art. 19 Wwft Pro zijn bepalingen opgenomen die zien op de situatie waarin een instelling gegevens of inlichtingen heeft verstrekt en vervolgens zelf strafrechtelijk in de problemen verzeild raakt. De bruikbaarheid van verstrekte gegevens in het kader van de opsporing en vervolging jegens de instelling wordt door deze bepalingen beperkt. De bepalingen hebben een achtergrond in de toepasselijke richtlijn. [21] Verordening (EG) nr. 273/2004 bevat niet een bepaling die een meldingsplichtige entiteit bij een melding ‘te goeder trouw’ van aansprakelijkheid vrijwaart.
24. Op de site van de Belastingdienst is een informatieblad te vinden over drugsprecursoren. [22] Daarin is onder hoofdstuk 4 ‘Melden verplicht’ de volgende tekst opgenomen :
‘U moet verdachte of ongebruikelijke transacties van drugsprecursoren direct melden! Dat geldt ook voor een voorbereiding op zo’n transactie of een ander voorval met drugsprecursoren. Voorbeelden:
• diefstal van drugsprecursoren
• ongewone orders
• afleveradressen
• ongebruikelijke transacties’
25. In hoofdstuk 13 van hetzelfde informatieblad is onder het kopje ‘Hoe herken ik verdachte of ongebruikelijke transacties?’ de volgende tekst opgenomen:
‘‘Verdachte of ongebruikelijke transacties met drugsprecursoren herkent u bijvoorbeeld aan:
Identiteit van de klantNieuwe klant voor de stoffen die in deze brochure zijn genoemd.
• Onaangekondigd bezoek door uw nieuwe klant.
• Een klant die de producten direct meeneemt.
• Een klant die weigert de order te ondertekenen of weigert zich op uw verzoek te legitimeren.
• Een klant die geen adres en vast telefoonnummer of ongebruikelijke contactgegevens geeft.
• Een klant zonder vestigingsplaats, kantooradres of opslagplaats.
• Een klant die geen lid is van een handels- of producentenorganisatie.
• Een klant die niet eenvoudig uit een trade-directory (handelssysteem) kan worden gehaald.
Zakelijke praktijken• Een privé-adres of postbusnummer als afleveradres van de stoffen.
• Onregelmatig bestelpatroon.
• Betaling in contanten, per cheque of postwissel.
• Orders uit het buitenland met inconsistentie(s) rond de betaling.
• Orders van bekende klanten, waarbij levering aan een natuurlijk persoon wordt gevraagd.
• Gebruik van bevrachter of douaneagent als uiteindelijke klant.
• Verzoek tot levering aan een tussenpersoon van wie de vestigingsplaats onverenigbaar lijkt met de beweerde vestigingsplaats van de eindgebruiker.
Manier van leveren• Ophalen van de goederen met een privé-vervoermiddel.
• Kopen in kleine verpakkingen terwijl normaal gebruik industrieel is.
• Levering via een ongebruikelijke transit-route.
• Levering op een ongebruikelijk afleveradres of afleverlocatie.
• Vraag om levering in niet-commerciële of niet-gemerkte verpakking.
• Orders voor chemicaliën waar de leverings- en/of de transportkosten niet in verhouding staan tot de waarde van de goederen.
Gebruik van de goederenHoeveelheid past niet bij bedrijfsactiviteiten van de klant.
• Indicatie van gebruik komt niet overeen met bestelde goederen.
• Export naar landen waar geen normaal gebruiksdoel aanwezig is.
• Orders door bedrijven die geen gebruiksdoel voor de goederen hebben.
• Orders van meer dan één precursor of essentiële stof.
• Orders waarbij geregistreerde stoffen voorkomen in een lange lijst van niet-geregistreerde stoffen (en daarom minder of niet opvallen).’
26. Uit dit informatieblad kan worden afgeleid dat het zich alleen op de ‘verkoopzijde’ van de transactie richt.
27. De Wet voorkoming misbruik chemicaliën stelt, wat Verordening (EG) nr. 273/2004 betreft, ook andere gedragingen dan het niet naleven van de meldingsplicht strafbaar. [23] In de praktijk wordt wel vervolgd voor het als marktdeelnemer in bezit hebben van geregistreerde stoffen van categorie 1 van bijlage I zonder de vereiste vergunning (art. 3, tweede lid, eerste volzin, Verordening (EG) nr. 273/2004). [24]
28. In lagere rechtspraak is de meldingsplicht van art 8, eerste lid, Verordening (EG) nr. 273/2004 regelmatig aan de orde geweest. Deze strafzaken betreffen deels (min of meer reguliere) handelaren in chemicaliën. Daarbij kwam onder meer de vraag aan de orde of het verbod van art. 8, eerste lid, Verordening (EG) nr. 273/2004 wel voldoende duidelijk was. [25] In een latere zaak was sprake van een verdachte die een bedrijf had opgestart voor de grensoverschrijdende handel in chemicaliën. [26] De rechtbank overwoog onder meer dat van de verdachte had mogen worden verwacht dat hij zich terdege liet informeren over beperkingen waaraan zijn handelen – door regelgeving - was onderworpen. Ten laste van de verdachte werd ook het plegen van voorbereidingshandelingen (art. 10a Opiumwet) bewezenverklaard. De precisie van de regelgeving speelde in de overwegingen van de rechtbank geen rol.
29. In andere uitspraken speelt de afgrenzing van het begrip ‘marktdeelnemer’ een centrale rol. Dat begrip wordt verschillend geïnterpreteerd. In enkele vonnissen uit 2018 overweegt de Rechtbank Den Haag dat indien een persoon bij het plegen van in art. 2 of Pro art. 3 Opiumwet Pro strafbaar gestelde feiten een handeling verricht met geregistreerde stoffen als bedoeld in Verordening (EG) nr. 273/2004, uit de definities van ‘marktdeelnemer’ en ‘in de handel brengen’ in die verordening volgt dat die persoon niet als marktdeelnemer in de zin van de verordening kan worden aangemerkt, nu de handelingen van die persoon niet gericht zijn op levering maar op de verwerking van geregistreerde stoffen. [27] Andere rechters oordeelden in dezelfde lijn. [28] De Rechtbank Arnhem merkte in 2012 daarentegen ook de afnemer als marktdeelnemer aan. [29] De Rechtbank Limburg overwoog in 2019 ‘dat met marktdeelnemers wordt gedoeld op fabrikanten, distributeurs, makelaars, importeurs, exporteurs en groothandelaren van chemische stoffen’. [30]
30. Het begrip ‘voorval’ komt in de rechtspraak minder uitgebreid naar voren. De Rechtbank Noord-Holland kwam in 2018 tot een veroordeling bij een verdachte die stoffen die kunnen worden gebruikt voor de vervaardiging of bewerking van drugs (in grote hoeveelheden) had ‘vervoerd ten behoeve van verder onbekend gebleven afnemers’ en die de bevoegde instanties daarvan niet onverwijld in kennis had gesteld. [31] Het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, locatie Arnhem, merkte in een arrest uit 2015 als voorval(len) aan dat de verdachte (telkens) een (grote) hoeveelheid zoutzuur en/of zwavelzuur en/of aceton en/of tolueen had verkocht en/of geleverd. [32] Het overwoog in verband met het begrip ‘voorval’ dat de verdachte leveringen inhoudende formamide, zoutzuur en mierenzuur had afgehandeld waarvoor de betrokkene contant zou hebben betaald. En het hof stelde voorts onder meer vast dat een medeverdachte telkens contant betaalde, naar diens zeggen telkens als hij betaald had gekregen van een koper van wie hij zelf een betaling had ontvangen, en dat zijn bestellingen kennelijk buiten de reguliere boekhouding werden gehouden.
31. Ook aan Uw Raad zijn enkele malen zaken voorgelegd waarin de verdachte was veroordeeld wegens handelen in strijd met de meldingsplicht van art. 8, eerste lid, Verordening (EG) nr. 273/2004. In het arrest dat in HR 13 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:1078 voorlag, was onder meer bewezenverklaard dat de verdachte als marktdeelnemer de bevoegde instanties opzettelijk niet in kennis had gesteld van voorvallen met betrekking tot geregistreerde stoffen die erop konden wijzen dat deze in de handel te brengen geregistreerde stoffen wellicht misbruikt zouden worden voor de illegale vervaardiging van verdovende middelen of psychotrope stoffen, hebbende hij, verdachte, telkens opzettelijk een (grote) hoeveelheid aceton, tolueen, zoutzuur en/of zwavelzuur verkocht en/of geleverd. Het hof had in een bewijsoverweging uiteengezet waarom sprake was van ‘voorvallen met betrekking tot geregistreerde stoffen die erop wijzen of kunnen wijzen dat deze in de handel te brengen stoffen wellicht misbruikt zullen worden voor de vervaardiging van drugs en dat zulks verdachte ook duidelijk was’. Zo stelde het hof onder meer vast dat het om verhoudingsgewijs grote hoeveelheden ging van stoffen die behoren tot categorie 3, welke gebruikt kunnen worden om stoffen als bedoeld in lijst I behorend bij de Opiumwet te vervaardigen; dat de verdachte altijd contant betaalde; dat de verdachte heeft verklaard dat hij een soort tussenhandelaar was, en dat hij geen nadere gegevens van zijn kopers of de bestemming van de stoffen vermeldde bij de aankoop of bestelling van de stoffen. Het derde middel betwistte dat sprake was van verdachte transacties. A-G Machielse was van oordeel dat het middel faalde. Uw Raad verwierp het middel met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende formulering.
32. In het arrest dat in HR 19 november 2019, ECLI:NL:HR:2019:1803 voorlag, was bewezenverklaard dat de verdachte als marktdeelnemer de bevoegde instanties opzettelijk niet onverwijld in kennis had gesteld van voorvallen met betrekking tot geregistreerde stoffen, te weten aceton, zoutzuur, zwavelzuur, methylethylketon en kaliumpermanganaat, die er op wezen of konden wijzen dat deze in de handel te brengen geregistreerde stoffen wellicht misbruikt zouden worden voor de illegale vervaardiging van verdovende middelen of psychotrope stoffen. De bewezenverklaring berustte onder meer op de ter terechtzitting afgelegde verklaring van de verdachte, inhoudend: ‘Ik zag op de facturen dat sommige van de door mij bestelde chemicaliën drugsprecursoren zijn. Ik heb de orders en transacties van de partijen chemicaliën niet gemeld bij de daartoe bevoegde instanties.’ In cassatie werd geklaagd dat niet met het vereiste opzet was gehandeld. A-G Wattel meende dat het hof het vereiste opzet uit de bewijsmiddelen had kunnen afleiden; Uw Raad verwierp het middel met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende formulering.
33. In HR 15 juni 2021, ECLI:NL:HR:2021:849 deed Uw Raad uitspraak in een zaak waarin in cassatie de vraag was voorgelegd of de bewezenverklaring, inhoudende een schending van de meldingsplicht van art. 8 Verordening Pro (EG) nr. 273/2004, strijd met het nemo tenetur-beginsel opleverde. Ten laste van de verdachte was onder meer bewezenverklaard dat hij als marktdeelnemer opzettelijk de bevoegde instanties niet onverwijld in kennis had gesteld van één of meer voorvallen met betrekking tot geregistreerde stoffen die erop konden wijzen dat deze in de handel te brengen geregistreerde stoffen wellicht werden misbruikt om verdovende middelen en/of psychotrope stoffen op illegale wijze te vervaardigen, ‘door een hoeveelheid van 4000 liter zoutzuur op te slaan en/of voorhanden te hebben’. A-G Hofstee stelde onder meer vast dat het hof had geoordeeld ‘dat, gelet op de feitelijke constellatie in deze zaak, de meldingsplicht moet worden gesitueerd in een fase die zich kenmerkt door een intracommunautair-geharmoniseerd toezicht en aan een strafrechtelijk onderzoek voorafgaat’ en was van oordeel dat de klacht faalde. Uw Raad overwoog:
‘2.5.1 Het hof heeft vastgesteld dat de verdachte 4.000 liter zoutzuur heeft besteld en na aflevering voorhanden heeft gehad, dat – gelet op de aanwezige jerrycans met een inhoud van 25 liter – dit zoutzuur was bestemd om in kleinere leverhoeveelheden op te delen en te verspreiden en dat de verdachte het zoutzuur voorhanden had met het oog op de levering ervan in de Europese Unie. Uit de vaststellingen van het hof blijkt verder dat een melding die is ontvangen door de Federaal Gerechtelijke Politie te Antwerpen en is doorgegeven aan het Meldpunt Verdachte Transacties Chemicaliën, ertoe heeft geleid dat op 16 juli 2014 een onderzoek is ingesteld in de door de verdachte gehuurde loods en dat daar bij een doorzoeking het zoutzuur en de jerrycans zijn aangetroffen.
2.5.2 Op grond van deze vaststellingen heeft het hof geoordeeld dat de verdachte als marktdeelnemer op grond van artikel 8 lid 1 Verordening Pro de verplichting had tot verstrekking van informatie met betrekking tot mogelijk misbruik van geregistreerde stoffen om verdovende middelen of psychotrope stoffen op illegale wijze te vervaardigen, maar dat hij niet aan die verplichting heeft voldaan. Het hof heeft verder geoordeeld dat de veroordeling wegens het niet-nakomen van deze verplichting tot het verstrekken van informatie geen schending van het nemo tenetur-beginsel oplevert. Daarbij heeft het betrokken dat deze verplichting al bestond op een moment dat nog geen sprake was van een verdenking van enig strafbaar feit of een “criminal charge” in de zin van artikel 6 EVRM Pro.
2.5.3. Het oordeel van het hof dat de veroordeling wegens het niet-nakomen van deze verplichting tot het verstrekken van informatie geen schending van het – door artikel 6 EVRM Pro en tevens in het Handvest gewaarborgde – nemo tenetur-beginsel oplevert, getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk. (…)’
Bewezenverklaring, bewijsmiddelen en bewijsoverweging feit 1
34. De steller van het middel beroept zich als gezegd op vaststellingen van het hof in de context van de bewijsvoering van feit 1. Tegen die achtergrond geef ik de bewezenverklaring en (de kern van) de bewijsvoering van dat feit weer. Ten laste van de verdachte is onder 1 bewezenverklaard dat:
‘hij op tijdstippen in de periode van 25 augustus 2015 tot en met 11 december 2015 in België en in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, om een feit, bedoeld in het vierde en vijfde lid van artikel 10 van Pro de Opiumwet te weten het opzettelijk bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren, vervaardigen en binnen het grondgebied van Nederland brengen van een of meer hoeveelhe(i)d(en) van (een) materia(a)l(en) bevattende MDMA en/of amfetamine, zijnde middelen als vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, voor te bereiden en/of te bevorderen, telkens
- anderen gelegenheid tot het plegen van die feiten heeft getracht te verschaffen, en
- vervoermiddelen en stoffen voorhanden heeft gehad, waarvan verdachte en zijn mededader(s) wisten en/of ernstige redenen hadden om te vermoeden, dat die bestemd waren tot het plegen van die feiten,
immers hebbende hij, verdachte, en zijn mededader(s) opzettelijk daartoe
* op 25 augustus 2015
- een voertuig Mercedes Benz Sprinter met kenteken [kenteken 7] gehuurd en
- vervolgens met voornoemd voertuig
- naar de parkeerplaats bij de McDonalds te Geldrop, gemeente Geldrop-Mierlo 500 kilogram mierenzuur, ten behoeve van synthetische drugsproductie vervoerd en voorhanden gehad
en
* op 10 november 2015
- een voertuig Volkswagen Transporter met kenteken [kenteken 8] gehuurd en
- vervolgens met voornoemd voertuig naar de [m-straat 1] te Eindhoven en naar de [n-straat 1] te [plaats]
- hoeveelheden zoutzuur en mierenzuur en caustic soda, ten behoeve van synthetische drugsproductie vervoerd en afgeleverd en voorhanden gehad
en
* op 24 november 2015
- met een Mercedes bestelbus met (vals) kenteken [kenteken 9]
- naar de carpoolplaats te Urmond, gemeente Stein,
- een grote hoeveelheid zoutzuur, ten behoeve van synthetische drugsproductie vervoerd en voorhanden gehad
en
* op 27 november 2015
- een voertuig Volkswagen Transporter met kenteken [kenteken 10] gehuurd en
- vervolgens met voornoemd voertuig naar het woonwagenkamp gelegen aan de [i-straat] te Waalre
- 216 kilogram zoutzuur, ten behoeve van synthetische drugsproductie vervoerd en voorhanden gehad
en
* op 10 december 2015
- een voertuig Ford Transit met kenteken [kenteken 11] gehuurd en
- vervolgens met voornoemd voertuig
- naar een perceel gelegen aan [o-straat 1] te Eersel en in een op dat perceel geparkeerde zeecontainer en/of vrachtauto (opschrift 'kringloopwinkel'),
- een grote hoeveelheid zoutzuur, ten behoeve van synthetische drugsproductie vervoerd en afgeleverd en voorhanden gehad
en
* op 11 december 2015
- een voertuig Ford Transit met kenteken [kenteken 11] gehuurd en
- vervolgens met voornoemd voertuig
- naar Waalre
- 20 zakken (van 25 kilogram per zak) caustic soda en 15 jerrycans (van 25 liter per stuk) zoutzuur en 4 jerrycans (van 30 liter per stuk) methanol en 7 jerrycans (6 van 20 liter per stuk en 1 van 30 liter per stuk) zwavelzuur, ten behoeve van synthetische drugsproductie vervoerd en voorhanden gehad.’
35. De aanvulling bewijsmiddelen houdt onder meer het volgende in (met weglating van verwijzingen en voor zover van belang):
‘Het hof ontleent aan de inhoud van de navolgende bewijsmiddelen het bewijs dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan.
De verklaring van verdachte ter terechtzitting van 21 maart 2018, onder meer inhoudende:
Ik heb veel tatoeages op mijn linkerarm. Ik heb wel vaker bussen gehuurd voor een persoon. Ik vervoerde wel eens wat chemicaliën. Mensen hebben mij wat geld aangeboden om wat te doen. Het zal wel kloppen dat ik de Ford Transit heb gehuurd vanaf 10 december 2015.
De verklaring van verdachte ter terechtzitting van 18 mei 2020, onder meer inhoudende:
Ik heb wel eens voor anderen goederen vervoerd. Ik heb ook wel eens busjes gehuurd. Ik wil niet zeggen voor wie ik de busjes heb gehuurd. (...)
Het klopt dat ik zelf niet handelde in chemicaliën. Ik wil niet zeggen wie mij heeft gevraagd de busjes te huren.
(...)
Ik kreeg zo’n € 250,00 euro per rit.
(...)
U, voorzitter, vraagt mij of ik wel eens goederen heb overgeladen. Ja, dat klopt.
(…)
Ik had geen vergunning voor de stoffen die ik vervoerde.
(...)
Ik vernam telefonisch van de persoon die mij ook vroeg om de busjes te huren, naar welke plaats de stoffen heen vervoerd moesten worden. Ik wil geen antwoord geven op de vraag of ik contact had met één persoon of met meerdere personen.
(...)
Achteraf gezien was het misschien niet goed wat ik heb gedaan. Ik wilde geld bijverdienen.
Ik heb wel gezien wat ik vervoerde. De stoffen zaten in jerrycans; het was een soort benzineachtig spul. Je kon deze stoffen ook ruiken. Er was geen overeenkomst, ik kreeg zwart betaald. Achteraf kon je wel weten dat het niet goed was.
(...)
Ik heb een paar keer dergelijke transporten verricht. Toen heb ik jerrycans en korrelachtige zakken vervoerd. Ik heb dit niet zo vaak gedaan als de rechtbank beweert; hoogstens 4 à 5 keer.
(...)
Het klopt dat ik nu schat dat ik zo’n € 250,00 per rit heb ontvangen.
Ik vervoerde de goederen vanaf België de grens over naar Nederland. Ik had geen vervoersdocument.
Ik denk niet dat er etiketten op de spullen zaten.’
Algemeen
(…)
Levering van 25 augustus 2015 (zaaksdossier 0)
(Bewezen bij [verdachte] )
Een schriftelijk bescheid inhoudende een proces-verbaal van de Federale Gerechtelijke politie van Luik (…) onder meer inhoudende: (…)
Transactie van 25 augustus 2015.
Op 24 augustus 2015 om 20.51 uur, heeft [betrokkene 2] aan [betrokkene 6] gevraagd of hij de volgende dag om 12.00 uur thuis kon zijn.
De volgende dag om 09.50 uur heeft [betrokkene 2] aan [betrokkene 6] gevraagd om de producten in de fabriek te gaan halen. Hij had gepreciseerd dat de vrachtwagen (of bestelauto) onderweg was en dat de chauffeur het geld voor de producten had. Een afspraak werd gepland voor de volgende dag op de plaats genaamd ‘RESTAURANT’.
Aangezien [betrokkene 6] niet alles goed begrepen had, vraagt hij om de vraag per SMS te bevestigen.
Nadien (om 09.54 uur) had [betrokkene 6] het volgende bericht ontvangen
SMS:
HALO IK GEEF MAN VAN TRUC GELD VOOR PRODUKT KAN UW OP HALEN BY FABRIEK VANDAAG EN MORGEN AFSPREKEN RESTE RAUND DANK UW MIERENZUUR 500 LITER
(...)
Om 10.12 uur, had [betrokkene 6] aan de firma [A] het gewicht van de bestelling gevraagd.
Het totaal bedraagt 570 kilogram.
Om 10.27 uur, had [betrokkene 6] gevraagd om hoe laat de vrachtwagen of bestelauto aankomt.
SMS hoe laat de chauffeur arriveert hier?
Antwoord van [betrokkene 2] om 10.34 uur
"De chauffeur is onderweg".
Op datum van 25-08-2015 om 11.31 uur, komt een grijze bestelauto Mercedes Sprinter met Nederlandse nummerplaat [kenteken 7] in de [p-straat 1] [plaats]. De bestuurder (...) had talrijke tatoeages op de linkerarm. Hij gaat vervolgens het adres binnen.
De bestelauto Mercedes Sprinter geobserveerd en met nummerplaat [kenteken 7] is een voertuig van de firma:
[G] B.V. te Venlo.
Om 11.38 uur, stapt [betrokkene 6] zijn woning naar buiten. Hij vertrekt alleen in zijn voertuig in de richting van de firma [A] om 11.55 uur.
Om 12.13 uur, verlaat [betrokkene 6] de plaats met zijn voertuig dat achterin zwaar geladen is.
Om 12.40 uur was de [kenteken 12] RENAULT Kangoo terug te [p-straat 1] [plaats]. [betrokkene 6] had de achterkant van zijn voertuig tegenover de achterkant van de Mercedes Sprinter [kenteken 7] geparkeerd om iets uit zijn voertuig te lossen en het in de Mercedes Sprinter te plaatsen.
Om 12.47 uur vertrekt van de Mercedes Sprinter [kenteken 7] met de getatoeëerde chauffeur alleen in de auto.
Om 13.10 uur steekt de Mercedes Sprinter de grens naar Nederland over op de E25.
Dit voertuig zat stoppen om 13.16 uur aan het tankstation op de autosnelweg te Eijsden. De chauffeur zal brandstof in het voertuig bijtanken. Om 14.08 uur, stopt het voertuig opnieuw op de parking van de Mac Donald op de plaats genaamd Barrier te Geldrop. De chauffeur zet zich op de passagiersplaats en dommelt in.
Huurovereenkomst d.d. 24 augustus 2015 (…) (en rijbewijs) onder meer inhoudende:
Van 24 augustus 2015 08.00 uur tot 25 augustus 2015 18.00 uur is de Mercedes Sprinter met kenteken [kenteken 7] gehuurd door [verdachte] , [q-straat 1] te [plaats] .
Levering van 10 november 2015 (zaakdossier 2)
(Bewezen bij [medeverdachte 4] en [verdachte] )
Proces-verbaal bevindingen stemherkenning (verdachte [medeverdachte 4] ) (…)
In de periode van 18 januari 2016 tot en met 28 januari 2016 heb ik verdachte [medeverdachte 4] meerdere malen gehoord. Na beluistering van geselecteerde gesprekken uit de opgenomen telecommunicatie herkende ik de stem van de gebruiker van het nummer [telefoonnummer 4] als zijnde de stem van verdachte [medeverdachte 4] .
In het proces-verbaal van FGP Luik las ik dat [betrokkene 2] op 8 november 2015 om 09.15 uur met [betrokkene 6] een afspraak maakt voor de volgende dag om 10.00 uur op de gebruikelijke plek in Maastricht (restaurant). Om 09.18 uur werd deze afspraak door [betrokkene 2] bevestigd.
De audiobestanden werden verstrekt.
Audiobestand 156835887 is beluisterd. Betrof op 8 november 2015 omstreeks 09.15 uur tussen de nummers [telefoonnummer 5] en [telefoonnummer 4] . De gebruiker van het nummer [telefoonnummer 4] belde uit naar nummer [telefoonnummer 5] , welke in gebruik is bij [betrokkene 6] . In het gesprek hoorde ik onder meer dat de gebruiker van [telefoonnummer 4] de gebruiker van het nummer [telefoonnummer 5] ( [betrokkene 6] ) aansprak met [betrokkene 6] en zei 'kan morgenvroeg tien uur restaurant'.
Ik herkende de stem van verdachte [medeverdachte 4] als de gebruiker van het nummer [telefoonnummer 4] .
Proces-verbaal bevindingen stemherkenning (verdachte [medeverdachte 4] ) (…)
Verbalisanten [verbalisant 3] en [verbalisant 4] hebben verdachte [medeverdachte 4] gehoord op zes data in januari 2016.
Herkennen in de gesprekken ((…); 19 november 2015 19.55, 22 november 2015 15.41, 24 november 2015 9.24, 3 december 2015 12.30, 7 december 2015 11.25, 9 december 2015 10.53 en 9 december 2015 19.30 uur) gevoerd tussen het Nederlandse mobiele nummer [telefoonnummer 4] en het Belgische mobiele nummer [telefoonnummer 5] , welke in gebruik is bij [betrokkene 6] de stem van de gebruiker van [telefoonnummer 4] als zijnde de stem van [medeverdachte 4] .
Een schriftelijk bescheid van Federale Gerechtelijke politie van Luik onder meer inhoudende;
(…):
1) Op 08/11/2015 om 09.15 uur, maakt [betrokkene 2] (
zie hiervoor proces-verbaal bevindingen: herkenning stem [medeverdachte 4] : het hof leest hierna in plaats van de naam ‘' [betrokkene 2] ' telkens ' [medeverdachte 4] ') een nieuwe afspraak met [betrokkene 6] (+ [telefoonnummer 4] (…) op de gebruikelijke plek te Maastricht ("restaurant") voor de volgende dag om 10.00 uur.
Direct daarna (om 09.18 uur) bevestigt [medeverdachte 4] opnieuw per SMS deze afspraak door middel van het volgende bericht :
SMS: "MORGEN 10 UUR RESTAURANT".
Aankoop en vervoer van de chemische producten naar de woning van [betrokkene 6] .
1) Door middel van de analyse van de antennes die door [betrokkene 6] de volgende dag 09/11/2015 zijn geactiveerd, wordt duidelijk aangetoond dat hij zich inderdaad voor deze afspraak naar Nederland heeft begeven. Direct na zijn terugkeer uit Nederland, begeeft [betrokkene 6] zich naar het bedrijf [A] .
2) Om 11.03 uur neemt [betrokkene 6] contact op met de werknemer van de chemische fabriek [A] , met de voornaam [betrokkene 7] en gebruiker van het nummer [telefoonnummer 6] .
Hij deelt hem mee dat hij nodig zou hebben:
- 8 blikken zwavelzuur
(...)
- 22 zakken natriumhydroxide
- 33 blikken aceton
3) Om 11.17 uur, deelt [betrokkene 6] aan [medeverdachte 4] mede dat het bedrijf [A] gedurende het gehele einde van de week, vanaf woensdag 11 november, gesloten zal zijn en dat dientengevolge alle leveringen de volgende dag gedaan moeten worden.
SMS: "Hier is gesloten woensdag donderdag vrijdag moet worden verstrekt voor morgen al duurt het product deze week."
4) Om 13.36 uur, staat de auto van [betrokkene 6] met kenteken [kenteken 12] Renault (OS), merk Kangoo (wit) die een met blauw zeil afgedekte aanhangwagen trekt, geparkeerd op het open terrein aan de achterkant van de woning aan de kant van de [r-straat] in [plaats] . [betrokkene 6] lijkt op iemand te wachten.
5) Dit wachten zal ons om 14.12 uur worden bevestigd, als [betrokkene 6] aan zijn dochter zal vragen of zij niet een vrachtwagen voor hem heeft gezien.
6) Om 16.34 uur, zal [betrokkene 6] aan [betrokkene 8] ( [telefoonnummer 7] ) meedelen dat hij een flink iemand zoekt om tegen beloning de veewagen uit te laden in de aanhangwagen.
Hij moet vertrekken, hij wachtte op iemand om 14.00 uur, maar de verwachte persoon is er niet. Hij moet absoluut weer vertrekken.
7) Om 15.55 uur, rijdt de Audi A3 van [betrokkene 8], met kenteken [kenteken 13] de manege uit en parkeert naast de met blauw zeil afgedekte trailer in de [r-straat] . De werknemer van de manege brengt blauwe blikken en witte zakken van een veewagen met Franse kentekenplaat over naar de met blauw zeil afgedekte aanhangwagen.
8) Om 15.58 uur, deelt [betrokkene 2] per SMS mee dat de vrachtwagen tenslotte de volgende dag om 09.00 uur zal komen.
SMS: TRUCK KOMT MORGEN VROEG 9 UUR".
9) Om 17.10 uur, antwoordt [betrokkene 6] op dit bericht door hem mede te delen dat de producten zich in de aanhangwagen bevinden en herinnert hem eraan dat het bedrijf [A] tot maandag is gesloten.
SMS: "OKprodukt in klein trailler. Aandachtfabriek is gesloten van dinsdag tot 16 u maandag. Als u wilt het product moet morgen worden genomen.
Afhalen van de chemische producten door een Nederlander.
10 november 2015
1) Om 13.25 uur, parkeert een witte VW Transporter met Nederlands kenteken [kenteken 8] in de [r-straat] te [plaats], naast de afgedekte aanhangwagen met kenteken [kenteken 12] en de aanhangwagen met zeil overdekt, met Frans kenteken [kenteken 14]. Een man laadt witte zakken die zich in de met blauw zeil afgedekte aanhangwagen bevinden, naar het achter zij portier van de VW Transporter. Deze man komt overeen met de beschrijving van de chauffeur die op 25/08/2015 (…) is ingehuurd.
Het geobserveerde voertuig is gehuurd van het bedrijf:
[E] B.V., [g-straat 1] Helmond.
2) Om 13.27 uur, verlaat [betrokkene 6] zijn woning en neemt plaats aan het stuur van het voertuig Renault Kangoo. Hij start en rijdt naar de witte VW Transporter [kenteken 8] (NL). Om 13.50 uur, is de witte VW Transporter [kenteken 8] (NL) bij de oprit naar de autoweg E40 in Crisnée. De man die om 13.25 uur is gezien, zit alleen achter het stuur. Het voertuig rijdt de autoweg op in de richting van Aken.
3) (...) de witte VW Transporter [kenteken 8] passeert de grens met Nederland op de autoweg E25 te Mouland in de richting van Maastricht.
Proces-verbaal observatie (…)
Op 10 november 2015, omstreeks 14.09 uur is door medewerkers van een Nederlands observatieteam gezien dat de witte Volkswagen Transporter met kenteken [kenteken 8] de grens passeerde op de autosnelweg A2 ter hoogte van de gemeente Eijsden. De Volkswagen Transporter reed richting Maastricht en vervolgde zijn weg over de A2, richting Eindhoven. Omstreeks 14.28 uur is werd door medewerkers van het observatieteam Limburg waargenomen dat de bestuurder van de Volkswagen Transporter een opvallende rode pet droeg.
Omstreeks 15.06 uur werd de Volkswagen Transporter geparkeerd op een parkeerplaats gelegen aan de Arcadelstraat in Eindhoven. Hier heeft de bestuurder met de rode pet even staan wachten en is door een medewerker van het observatieteam gefotografeerd (…). Op de foto is te zien dat de bestuurder met de rode pet een jas met een bontkraag draagt.
Omstreeks 15.12 uur is de bestuurder met de rode pet naar een woning gelopen op het adres [m-straat 2] te [plaats]. De deur werd geopend door een onbekende man in een donker trainingspak. De bestuurder met de rode pet is de woning binnen gegaan.
Enige minuten later is een andere onbekende man met in zijn handen een rode map. de woning ingegaan en is ook vrijwel meteen daarna weer naar buiten gelopen. Deze man is naar een Volkswagen Golf gelopen met kenteken [kenteken 15]. In de Volkswagen Golf zat een vrouw. Samen met deze vrouw is de onbekende man weer naar binnen gelopen. Vervolgens is omstreeks 15.19 uur nog een onbekende man met een blauwe jas de woning binnengegaan.
Omstreeks 15.23 hebben de bestuurder met de rode pet en de man die enige minuten daarvoor als laatste persoon de woning betrad, de woning verlaten aan de [m-straat 2] en zijn richting de [s-straat] gelopen. Een medewerker van het observatieteam liep vanaf de [s-straat] de [m-straat] in en zag op dat moment niemand in de straat lopen. Wel is gezien dat er op dat moment een Opel Corsa met kenteken [kenteken 16] vertrok.
Een medewerker van het observatieteam heeft niet kunnen zien hoeveel personen op dat moment in de Opel Corsa zaten. De Opel Corsa met kenteken [kenteken 16] staat geregistreerd op naam van:
[betrokkene 9] e/v [verdachte]
De kentekenhoudster is de schoonzus van [medeverdachte 4] .
Omstreeks 15.46 uur is de persoon die omstreeks 15.12 uur de deur van de woning opende voor de bestuurder met de rode pet, als bestuurder weggereden in de Volkswagen Transporter in gezelschap van een bijrijder, ook afkomstig uit de woning. De Volkswagen Transporter was op dat moment nog beladen met de chemicaliën.
Vervolgens is de Volkswagen Transporter weggereden. Omstreeks 15.55 uur is de Volkswagen Transporter gestopt op de [n-straat] te [plaats] bij de oprit gelegen tussen de woningen gelegen aan de [n-straat 2] en [n-straat 1] (...) Er is tot achter de houten poort gereden. Door het observatieteam is gezien dat de bijrijder oranje rubberen handschoenen droeg. Omstreeks 16.06 uur is de Volkswagen Transporter weer vertrokken vanaf de oprit gelegen tussen de woningen [n-straat 2] en [n-straat 1] te [plaats].
Proces-verbaal bevindingen LFO met betrekking tot tuin [n-straat 1] te [plaats] (…)
Naar aanleiding van de informatie uit het TCI-verbaal, is op dinsdagavond 10 november 2015 door de politie Oost-Brabant een onderzoek ingesteld op het adres [n-straat 1] te [plaats].
Door de Landelijke Faciliteit Ondersteuning Ontmantelen (hierna te noemen het LFO) is omstreeks 19.00 uur onderzoek gedaan naar de aangetroffen chemicaliën op het perceel [n-straat 1] te [plaats]. Deze chemicaliën bevonden zich in een aantal geparkeerde voertuigen op de oprit en elders in de achtertuin van het adres [n-straat 1] te [plaats].
In de laadruimte van een Renault Master zijn de volgende chemicaliën aangetroffen:
• 6 x jerrycans, blauw, 20 L, allen geheel gevuld met heldere vloeistof, geen etikettenopschriften, FD=Formamide, totaal 120 L Formamide
• 7 x jerrycans, blauw, 30 L, 6x voorzien van geschreven tekst "MJR", allen geheel gevuld met een heldere zure vloeistof, geur mierenzuur, FD=mierenzuur, totaal 210 L mierenzuur;
• 8 x jerrycans, zwart, 25 L, allen voorzien van etiket Brenntag, zoutzuur 36% (batchn: 20150304(6x) 2x 20150505), allen geheel gevuld met een sterk rokende zure vloeistof=zoutzuur, totaal 200 L zoutzuur;
• 17 zakken, 25 kg, met opschrift caustic soda, merk ANWIL, allen geheel gevuld met witte korrels natriumhydroxide, totaal 425 kg caustic soda.
Stalling S direct naast Renault:
• 1 x jerrycan, wit, 25 L, gevuld met 4 L heldere vloeistof(oplosmiddel;)
• 1 x jerrycan, 20 L, gevuld met een restant zure rokende vloeistof=zoutzuur.
VW Caddy, laadruimte:
• 1 x blauw dopvat, 220 L, gevuld met ongeveer 20 L heldere vloeistof, FD=formamide
De laadvloer van de Caddy was vervuild met resten caustic soda.
Tuin T - oprit achter Caddy:
• 2 x dopvat, blauw, 220 L, beide gevuld met een kleine hoeveelheid heldere vloeistof, FD=formamide
• 2 x klemdekselvat, 220 L, beide gevuld met een restant vloeistof, organische geur (acetonachtig);
• 3 x jerrycan, zwart, 25 L, allen gevuld met restant zure rokende vloeistof=zoutzuur VW Golf (op de bijrijdersplaats):
• Een elektrische vloeistofpomp voorzien van een vulpistool, gevuld met een kleine hoeveelheid heldere vloeistof, FD=formamide
Volgens het LFO werd op deze locatie zeer waarschijnlijk chemicaliën vanuit grote verpakkingen overgepompt in kleinere verpakkingen. Door het LFO zijn monsters genomen en voor onderzoek zijn deze monsters overgedragen aan het Nederlands Forensisch Instituut.
(in combinatie met rapport NFI d.d. 18 januari 2016 (…)
AAHV0085NL, code R-2a
7 x blauwe 30 liter jerrycan met opschrift 'mir' en gevuld met heldere vloeistof.
Analyse resultaat NFI: bevat mierenzuur.
AAHV0086NL, code R-3a
8 x zwarte 25 liter jerrycan voorzien van etiket 'Brenntag zoutzuur'
Analyse resultaat NFI: bevat (geconcentreerd) zoutzuur.
AAHV0087NL, code R-4a
17 x 25 kg zakken caustic soda merk anwil.
Analyse resultaat NFI: bevat natriumhydroxide
Conclusie NFI:
(...) Mierenzuur, (geconcentreerd) zoutzuur, natriumhydroxide en methanol zijn in de chemische industrie veel gebruikte chemicaliën. In relatie tot de productie van synthetische drugs kunnen de stoffen gebruikt worden bij de productie van diverse drugs. De combinatie van de vier stoffen past bij de productie van amfetamine.
Zoutzuur is vermeld op bijlage I van de Verordening (EG)nummer 273/2004 inzake drugsprecursoren en de bijlage behorende bij de Verordening (EG) nummer 111/2005 betreffende voorschriften voor het toezicht op de handel tussen de Gemeenschap en derde landen in drugsprecursoren. Naar beide verordeningen wordt verwezen in de Wet voorkoming misbruik chemicaliën.
Proces-verbaal bevindingen (…)
Op 10 november 2015 werd een transport geobserveerd. Omstreeks 13.35 uur werd vernomen dat de bestelde chemicaliën werden geladen in een Volkswagen Transporter [kenteken 8] . Door het observatieteams is omstreeks 15.15 uur in de Arcadelstraat in Eindhoven een foto gemaakt van de bestuurder. (…)
De NN01 kan worden geïdentificeerd als zijn de [verdachte] , geboren [geboortedatum] 1989.
Ik baseer mijn redelijk vermoeden op de volgende feiten en omstandigheden:
• De door het observatieteam gemaakte foto's (…);
• De waarneming van het observatieteam dat de bestuurder van de Mercedes met kenteken [kenteken 9] op dinsdag 24 november 2015 (…) dezelfde is als de bestuurder van de Volkswagen Transporter met kenteken [kenteken 10] op 27 november 2015 (…);
• De afdrukken van de door Total Meerssen inz […] verstrekte camerabeelden met betrekking tot de bestuurder van de Volkswagen Transporter met kenteken [kenteken 10] op 27 november 2015 (…) ;
• De foto op de ID-staat SKDB met betrekking tot [verdachte] (…).
Proces-verbaal bevindingen (…) en bestellijst [betrokkene 6] (…):
Door tussenkomst van [betrokkene 6], op 9 november 2015 de volgende chemicaliën gekocht:
216 liter zoutzuur 36 %
152 liter mierenzuur
870 liter aceton
550 kg caustic soda
Verklaring [medeverdachte 4] (…)
(…)
Regelmatig hadden we een koffieafspraak bij de Praxis in Venlo (met [betrokkene 2] ).
Als [betrokkene 6] er bij was in Maastricht.
(…)
Ik heb gebruik gemaakt van het nummer [telefoonnummer 4] om een keer naar [betrokkene 6] te bellen.
Verklaring getuige [betrokkene 9] (…):
Mededeling verbalisanten: sinds 2 september 2014 staat een zwarte Opel Corsa met het kenteken [kenteken 16] op jouw naam.
Vraag verbalisanten: Verhuur je de Opel Corsa [kenteken 16] wel eens of leen je hem wel eens uit?
Antwoord gehoorde: Hij wordt gebruikt door vrienden, familie en kennissen.
Levering van 24 november 2015 (zaakdossier 3)
(Bewezen bij [medeverdachte 4] en [verdachte] )
Proces-verbaal bevindingen tapgesprekken (…)
Verdachte [medeverdachte 4] is gebruiker van telefoonnummer + [telefoonnummer 4] (hiervoor al bewijs voor genoemd).
Op 22 november 2015 vond er onder andere telecommunicatie plaats tussen verdachte [medeverdachte 4] en [betrokkene 6] via het bij hem in gebruik zijnde Belgische telefoonnummer + [telefoonnummer 5] .
Het betreft het hierna vermelde uitgaande telefoongesprek met het bij verdachte [medeverdachte 4] in gebruik geweest zijnde telefoonnummer + [telefoonnummer 4] :
T01-6753 uitgaand naar [telefoonnummer 5] op 22-11-2015 om 15:41 uur
[telefoonnummer 5]: Ye
[telefoonnummer 4]: Ha [betrokkene 6] Hallo, [betrokkene 6]
[telefoonnummer 5]: Oui
[telefoonnummer 4]: Kan morgenvroeg ook negen uur
[telefoonnummer 5]: Oké, geen probleem
[telefoonnummer 4]: Zie ik u negen uur in restaurant
[telefoonnummer 5]: negen uur, oké
[telefoonnummer 4]: oké dank u wel
T01-6753 uitgaand naar [telefoonnummer 5] op 22 november 2015 om 15.43 uur.
Inhoud SMS: Morgen 9 uur.
Op 24 november 2015 vond er opnieuw een telefoongesprek plaats tussen verdachte [medeverdachte 4] en [betrokkene 6] . Het betreft het hierna vermelde uitgaande telefoongesprek met het bij verdachte [medeverdachte 4] in gebruik geweest zijnde telefoonnummer + [telefoonnummer 4] :
1 T01-6753 uitgaand naar [telefoonnummer 5] op 24-11-2015 om 9:24 uur
[telefoonnummer 4] bun [telefoonnummer 5]
[telefoonnummer 4]:Ja
[telefoonnummer 5]: Ja
[telefoonnummer 4]: Ah [betrokkene 6]
[telefoonnummer 5]: Cava
[telefoonnummer 4]: U bent restaurant?
[telefoonnummer 5]: uh maar jou zeg me, kom, kom, kom mij huis
[telefoonnummer 4]: maar ik had u gisteren een bericht gestuurd
[telefoonnummer 5]: .... kom .... hier ..... onverstaanbaar
[telefoonnummer 4]: Ik kom, ik kom, ik kom naar u, kon maar huis, u thuis
[telefoonnummer 5]: Hoeveel uur, hoeveel uur
[telefoonnummer 4]: Denk
[telefoonnummer 5]: halfuur voor restaurant
[telefoonnummer 4]: Hoe lang
[telefoonnummer 5]: Halfuur restaurant
[telefoonnummer 4]: oké 45 minuut, 45 minuut
[telefoonnummer 5]: oké cava,
[telefoonnummer 4]: oké
[telefoonnummer 5]: cava, oui
Proces-verbaal stemherkenning (…)
De opsporingsmedewerkers die verdachte [medeverdachte 4] in de periode 18 januari 2016 tot en met 28 januari 2016 hebben verhoord, hebben bij het naluisteren van dit telefoongesprek de stem van verdachte [medeverdachte 4] herkend als de persoon die de afspraak met [betrokkene 6] maakt voor een ontmoeting in het restaurant. (…)
Bestellijst [betrokkene 6] (…) d.d. 23 november 2015 nr. 108416 (…),waaruit blijkt dat onder meer bij [A] is besteld:
Acide Chlorhydrique 540 (zoutzuur).
Schriftelijk bescheid van de Federale Gerechtelijke politie te Luik (…) onder meer inhoudende:
Op 24 november 2015 verlaat een voertuig witte Mercedes sprinter met kenteken nummer [kenteken 9] , het bedrijf [A] omstreeks 08.00 uur en neemt de richting Nederland.
Proces-verbaal observaties d.d. 24 november 2015, onder meer inhoudende (…):
Op 24 november 2015 tussen 08.30 uur en 14.55 uur hebben wij geobserveerd.
Van het Tactisch Team vernomen dat in België, omstreeks 8.22 uur, een witte bestelbus van het merk Mercedes was beladen met chemicaliën.
8.30 1063 Heb ik de observatie aangevangen ter hoogte van de grensovergang België-Nederland te Eijsden, gemeente Eijsden-Margraten, langs de rijksweg A2 (hierna te noemen: de grensovergang).
8.37 1024 Ik zag een witte bestelauto van het merk Mercedes, type onbekend, voorzien van een Nederlands kenteken [kenteken 9] (hierna te noemen: Mercedes [kenteken 9] ) rijden op de rijksweg A2, ter hoogte van Eijsden, komende vanuit de richting van de grensovergang. Ik zag een onbekende man (hierna te noemen: NN1) de Mercedes [kenteken 9] besturen.
8.38 Op verzoek van het Tactisch Team de Mercedes [kenteken 9] onder observatie genomen.
9.02 1016 Ik zag de Mercedes [kenteken 9] snelheid minderen op de Mauritslaan te Urmond behorende tot de gemeente Stein, Ik zag een onbekende man (hierna te noemen: NN2) contact maken met NN1.
9.03 1022 Ik zag de Mercedes [kenteken 9] de carpoolplaats op rijden gelegen aan de Spoorlaan te Urmond. Ik zag NN2 naar de zijkant van de Mercedes [kenteken 9] lopen. Ik zag NN1 uitstappen waarna hij contact maakte met NN2.
Ik zag NN2 als bestuurder en NN1 als bijrijder in de Mercedes [kenteken 9] plaatsnemen. Ik zag de Mercedes [kenteken 9] vervolgen en wederom stoppen op de carpoolplaats.
9.07 1022 Ik zag NN1 en NN2 uitstappen en richting de achterzijde van de Mercedes [kenteken 9] lopen. Ik zag NN2 de deuren van de Mercedes [kenteken 9] openen waarna zowel NN1 als NN2 de laadruimte binnen gingen. Ik zag een beladen pallet van ongeveer één meter hoog, waarvan de lading donker van kleur was, achterin de Mercedes [kenteken 9] staan.
9.09 1016 en 1022 Wij zagen NN1 en NN2 uit de Mercedes [kenteken 9] stappen waarna de achterdeuren werden gesloten. Ik, verbalisant 1016, zag NN1 rubberen handschoenen dragen. (...)
9.12 Werd de observatie op de grensovergang beëindigd.
9.13 1016 Ik zag NN2 als bestuurder in de Mercedes [kenteken 9] stappen waarna deze vertrok. Ik zag NN1 weglopen.
9.17 1068 Ik zag NN1 op de Mauritslaan te Urmond als bijrijder in een personenauto stappen. Ik zag dat het een zwarte personenauto betrof van het merk Opel, type Corsa, voorzien van het Nederlandse kenteken [kenteken 16].
Hiervan heb ik, verbalisant 1068, foto-opname gemaakt genummerd (…)
10.55 1024 Ik zag de Mercedes [kenteken 9] een perceel op rijden gelegen aan de [t-straat 1] te Veen gelegen in de gemeente Veen (hierna te noemen: het perceel).
(…)
Proces-verbaal bevindingen m.b.t. camerabeelden carpoolplaats bij Motel van der Valk te Urmond/Stein (…)
Op 24 november 2015 werd door het observatieteam een Mercedes bestelbus voorzien van kenteken [kenteken 9] geparkeerd op de carpoolplaats naast motel Van der Valk te Stein door een persoon welke inmiddels geïdentificeerd is als [verdachte] .
Op 25 november 2015 werd door mij vastgesteld dat op deze carpoolplaats een mobiele cameraopstelling stond.
De hoek waar de Mercedes [kenteken 9] geparkeerd stond en wisselden valt buiten het beeldvlak van de camera.
Op deze carpoolplaats stond een mobiele cameraopstelling.
Op de vastgelegde beelden werd door mij het volgende gezien.
09.12 uur [verdachte] verschijnt lopend links in het beeld van de camera. Hij is onder meer gekleed in een donkerbruine jas met capuchon afgezet met bont.
09.37 uur (...)
Een witte Fiat Doblo komt aanrijden vanaf de Mauritslaan. (...)
Vervolgens komt vanaf de Mauritslaan een zwarte Opel Corsa rijden.
09.40 uur:
Als de Corsa ter hoogte van het vrachtwagentje in het zicht komt van de Fiat Doblo rijdt deze de carpoolplaats op gevolgd door de zwarte Opel corsa.
09.43 uur
Links komt een witte Fiat Doblo links in beeld rijden. Het kenteken is [kenteken 17]. In de Fiat Doblo zit enkel de bestuurder. Door de reflectie op de voorruit kan niet worden gezien wie de bestuurder van de Corsa is. Door deze Opel Corsa voertuig werd [verdachte] eerder die morgen opgepikt na overdracht van de Mercedes bestelbus met kenteken [kenteken 9] .
Vervolgens verlaten de Opel Corsa en de Fiat Doblo achter elkaar de carpoolplaats.
Proces-verbaal bevindingen (…)
Opmerking verbalisant: uit onderzoek is bekend dat de van [A] afkomstige jerrycans zoutzuur zwart van kleur zijn.
Het kenteken [kenteken 16] van de Opel Corsa staat volgens het Belastingdienstsysteem Houderschapsbelasting sinds 2 september 2014 op naam van [betrokkene 9], echtgenote van [verdachte] te Venlo. Dit is de schoonzus van verdachte [medeverdachte 4] die op korte afstand van hem woont.
Proces-verbaal bevindingen ((…) onderzoek LFO en rapport NFI (…))
Op 24 november 2015 is een onderzoek ingesteld in het bedrijfspand aan de [t-straat 1] te Veen. In dat onderzoek en de daaropvolgende doorzoeking werden door de politie grondstoffen en productiemiddelen ter vervaardiging van synthetische drugs aangetroffen.
Onder meer aangetroffen 8 stuks zwarte jerrycans van 25 liter, zonder etiketten, allen geheel gevuld met dezelfde zure rokende vloeistof, zoutzuur.
Onder meer zijn nog aangetroffen stoffen bevattende MDMA, PMK en MDMA en een lage concentratie PMK in aceton (…).
Verklaring [betrokkene 10] (…)
Op elk verkocht product zit een etiket waarop de naam van het bedrijf staat vermeld.
Proces-verbaal bevindingen m.b.t. identificatie verdachte [verdachte] (…)
De bestuurder van de bestelbus [kenteken 9] die het transport tot aan de carpoolplaats verrichtte, in dit proces-verbaal. aangeduid als NN1, werd geïdentificeerd als verdachte [verdachte] .
Op 11 december 2015 werd verdachte [verdachte] in Waalre op heterdaad aangehouden door de politie. Op dat moment verrichtte hij ook een transport van chemicaliën voor/namens verdachte [betrokkene 2] en/of [medeverdachte 4] . Bij die aanhouding werd door de politie de identiteit van verdachte [verdachte] vastgesteld en vastgelegd in een ID-staat SKDB (…).
Verdachte [verdachte] werd geïdentificeerd als de bestuurder van de Mercedes bestelbus [kenteken 9] via de vergelijking van de foto op zijn ID-staat SKDB (…) met de door de observatieteams gemaakte foto's van de bestuurder van de gevolgde bestelbussen op 10, 24 en 27 november 2015 (…) en de afdrukken van de door Total Meerssen inz […] verstrekte camerabeelden van de bestuurder van de op 27 november 2015 gevolgde bestelbus (…).
Daarnaast bevestigde het observatieteam dat de bestuurder van de op 27 november 2015 gevolgde bestelbus, dezelfde persoon was als degene die op 24 november 2015 de Mercedes bestelbus [kenteken 9] tot aan de carpoolplaats in Urmond bestuurde (…).
Proces-verbaal bevindingen waarom kenteken [kenteken 9] vals moet zijn (…)
Door de politie is onderzoek ingesteld op het
kentekenadresvan de Mercedes bestelbus [kenteken 9] . Bij dat onderzoek zag de politie dat de Mercedes bestelbus [kenteken 9] tussen 11.30 uur en 12.00 uur geparkeerd stond op een perceel naast het kentekenadres in [plaats]. Door het observatieteam werd gezien dat de door hun gevolgde Mercedes bestelbus [kenteken 9] tussen 10.55 uur en 11.16 uur op het perceel van de [t-straat] in Veen stond.
Tussen beide adressen ligt ruim 200 kilometer. Het is niet mogelijk deze afstand binnen 14 minuten over de weg af te leggen. Daarom was de aan de carpoolplaats te Urmond bestuurde bestelbus zeer waarschijnlijk voorzien van valse kentekenplaten.
Levering van 10 december 2015 (zaaksdossier 4)
(Bewezen bij [medeverdachte 4] en [verdachte] )
Proces-verbaal bevindingen (…)
Gedurende het onderzoek is het telefoonnummer [telefoonnummer 4] van 13 november 2015 tot en met 6 januari 2016 getapt. Op 9 december 2015 is er telefonisch contact geweest met het telefoonnummer [telefoonnummer 5] . Dit nummer is in gebruik bij [betrokkene 6] .
[telefoonnummer 4] verzonden naar [telefoonnummer 5] op 09-12-2015 om 10:35 uur
SMS:
09-12-2015 10:35:06 uur, verzonden naar [telefoonnummer 5]
HALLO MORGENVROEG 9.30 RESTURANT
[telefoonnummer 4] ontvangen van [telefoonnummer 5] op 09-12-2015 om 10:55 uur
SMS:
09-12-2015 10:55:03 uur, ontvangen van [telefoonnummer 5]
Ok
[telefoonnummer 4] verzonden naar [telefoonnummer 5] op 9-12-2015 om 19:30 uur
SMS:
09-12-2015 19:30:20 uur, verzonden naar [telefoonnummer 5]
KAN AUB 9,00 uur
[telefoonnummer 4] uitgaand naar [telefoonnummer 5] op 09-12-2015 om 19:30 uur
GSM:
09-12-2015 19:30:33 uur, belt uit naar [telefoonnummer 5]
zegt geen probleem [medeverdachte 4] waarop [telefoonnummer 4] zegt dank je wel.
Een schriftelijk bescheid, proces-verbaal van de Federale Gerechtelijke Politie te Luik onder meer inhoudende (…):
[betrokkene 6] vraagt aan de gebruiker van het nummer [telefoonnummer 4] of hij naar de gebruikelijke plaats van afspraak moet komen.
SMS: ''RESTAURANT.
(...)
Wij zullen constateren dat de volgende dag (
het hof begrijpt: 10 december 2015) [betrokkene 6] zich inderdaad naar de plaats van de afspraak heeft begeven in zijn tweede voertuig Mercedes, waar hij de kentekenplaten van zijn Renault Kangoo op had aangebracht.
De volgende dag 10 december om 10.30 uur keert [betrokkene 6] weer terug naar huis na zijn afspraak in Maastricht.
Om 11.02 uur rijdt [betrokkene 6] in zijn Renault Kangoo het bedrijf [A] binnen. Hij verlaat het bedrijf om 11.36 uur.
Om 14.16 uur, wordt een grijze bestelwagen Ford Transit met Nederlands kenteken opgemerkt in het dorp [plaats]. De chauffeur die zich alleen in het voertuig bevindt, zal het terrein van [betrokkene 6] opgaan.
Om 14.38 uur, verlaat de bestuurder van de grijze bestelwagen FORD Transit met kenteken nummer [kenteken 11] (NL) het terrein van [betrokkene 6] . Hij zal die autoweg in de richting van Nederland nemen.
Dit voertuig staat geregistreerd op naam van:
[betrokkene 11] te [plaats].
Om 15.00 uur, passeert de grijze bestelwagen Ford Transit met kenteken nummer [kenteken 11] (NL) de grens ter hoogte van Visé op de autoweg E25.
Uit informatie, verkregen van onze Nederlandse collega's, heeft deze observatie geleid tot een interventie van hun kant in Eersel op [o-straat 1] .
Een schriftelijk bescheid, proces-verbaal van de Federale Gerechtelijke Politie te Luik onder meer inhoudende (…):
Uit de analyse van de bestellingen gedaan door [betrokkene 6] bij het bedrijf [A] blijkt van een bestelling die op 10 december 2015 is gedaan voor 216 liter zoutzuur, geregistreerd onder nummer 108668 (…).
Proces-verbaal observatie (…)
Op 10 december 2015 om 12.07 uur zag ik op de N2 te Maastricht de grijze Volkswagen Touran met kenteken [kenteken 18]. Ik herkende de bestuurder als het subject, [betrokkene 2] . Om 14.58 uur hebben wij de observatie op een witte bestelauto van het merk en type Ford Transit en voorzien van kenteken [kenteken 11] overgenomen van een Belgisch observatie eenheid op voornoemde grensovergang, Rijksweg A2 te Eijsden.
Proces-verbaal observatie (…)
Door het observatieteam werd waargenomen dat de Ford Transit [kenteken 11] naar de plaats Eersel reed en om 16:03 uur stopte op het Carquefouplein bij de kerk te Eersel. De bestuurder, vermoedelijk [verdachte] , bleef in het voertuig zitten. Door het observatie is deze persoon, NN1 genoemd, en is gezien dat hij een donkere jas droeg met capuchon met daaraan een bontkraag. Om 16:09 uur verscheen de Volkswagen Touran met het kenteken [kenteken 18] op het Carquefouplein. Vervolgens werd gezien dat de Ford Transit omstreeks 16.10 uur weer verder reed en vervolgens stopte op het perceel de [o-straat 1] te Eersel.
Op het perceel [o-straat 1] te Eersel werd gezien dat vanaf het voertuig, de Ford Transit [kenteken 11] , waarvan de deuren geopend waren, heen en weer werd gelopen door [verdachte] met voorwerpen naar een geopende gele, 40 voet, zeecontainer die op dit perceel stond.
Tevens werd waargenomen dat er heen en weer werd gelopen door een man, gekleed in donkere kleding en donkere pet, NN2 genoemd, met voorwerpen, waaronder witte zakken in de richting van een vrachtautootje en/of in de richting van een op het perceel aanwezige loods. Op het vrachtautootje stond een opschrift, beginnend met "Kring.... ".
Door het observatieteam wordt vervolgens een derde NN man gezien die samen met NN2 heen en weer loopt tussen de Ford Transit en de container. Deze NN3 betreft een kale man gekleed in een grijze jas met blokken. In OBS-011 a is door medewerkers van het observatieteam beschreven dat deze persoon grote gelijkenis toont met een foto van [betrokkene 12], geboren [geboortedatum] 1965.
Later werd door het observatieteam gezien dat er door een man meubels in de zeecontainer werden geladen.
Om 16.45 uur vertrekt de Ford Transit en NN2 is als bijrijder in de auto gestapt.
(...)
Vervolgens werd om 16:45 uur gezien dat de Ford Transit het perceel [o-straat 1] te Eersel af kwam rijden en naar het Carquefouplein te Eersel reed met in de Ford als bijrijder de NN2 man met de donkere pet die eerder op het perceel [o-straat 1] met voorwerpen sjouwde.
(...)
Om 16:51 uur ziet het observatieteam dat NN2 in de Volkswagen Touran stapt en dat de Ford Transit vertrekt. Om 16:53 uur vertrekt de Volkswagen Touran met daarin naast bestuurder [betrokkene 2] de NN2 en NN5. Om 16:54 uur stopt de Volkswagen Touran bij een flat aan [u-straat] te Eersel en stappen NN2 en NN5 uit en gaan de portiek [u-straat 1 t/m 4] binnen.
Om 16:47 uur werd in de schemering door het observatieteam een foto gemaakt op het Carquefouplein te Eersel. Op de foto is een zilvergrijze VW Touran te zien met geopend portier aan de bijrijderzijde. Schuin achter de Touran staat een zilvergrijze Ford Transit. De persoon achter het stuur van de Volkswagen Touran is door medewerkers van het onderzoeksteam herkend als [betrokkene 2] .
[betrokkene 2] kijkt in de richting van twee mannen die bij het geopend portier staan. Op de bijrijderplaats van de Volkswagen Touran zit een jonge man met blond haar, NN5. Een van deze twee mannen die aan de bijrijderzijde van de Volkswagen staan draagt een soortgelijke jas als [verdachte] op diverse observatiefoto's tijdens eerdere transporten droeg. Gelet op deze jas en het postuur van deze persoon is deze man geïdentificeerd als [verdachte] .
De andere persoon welke een donkere pet droeg is bij het lossen op het perceel [o-straat 1] te Eersel gezien. De andere persoon betreft de persoon met donkere kleding en donkere pet, NN2. (…)
Proces-verbaal bevindingen onder meer inhoudende (…)
Onderzoeksbevindingen bakendata op 10 december 2015 VW Touran [kenteken 18].
In het onderstaande overzicht zijn de tijdstippen, tijdsduur en de stoplocaties vermeld waarop de VW Touran [kenteken 18] op 10 december 2015 gedurende langere tijd heeft gestaan:
10-12-2015 11.27-11.33 uur ca 6 minuten NL Eijsden (op/nabij autosnelweg A2)
10-12-2015 11.38-11.48 uur ca 10 minuten B-Visé nabij grens Nederland België
10-12-2015 13.09-13.38 uur ca 29 minuten NL Eersel, op/nabij Nieuwstraat
10-12-2015 13.44-14.31 uur ca 47 minuten NL Eersel, op/nabij Willibrorduslaan
10-12-2015 14.34-16.06 uur ca. 1 uur en 32 minuten NL Eersel, op/nabij [u-straat]
10-12-2015 16.09-16.51 uur ca. 42 minuten NL Eersel, op/nabij Willibrorduslaan.
Uit de bakengegevens komt verder naar voren dat de Volkswagen Touran zich van 13.00 tot 16.50 uur ophield in Eersel. Tussen 16.15 uur en 16.45 uur is de Ford Transit gelost in Eersel.
Huurovereenkomst nr. 0514 d.d. 10 december 2015 (…)
Waaruit blijkt dat de Ford Transit met kenteken [kenteken 11] gedurende de periode van 10 december 2015 en met 16 december 2015 van [H] is gehuurd door [verdachte] , [q-straat 1] te [plaats].
Proces-verbaal bevindingen (…), proces-verbaal LFO (…)
Op de avond van 10 december 2015 is binnengetreden op het adres [o-straat 1] te Eersel. Op dit adres bevonden zich onder meer een zeecontainer en een bestelauto, gekentekend [kenteken 19], op naam van kringloop SDE.
In de laadruimte van de bestelauto werden de volgende chemicaliën aangetroffen en in beslag genomen:
10 zakken à 25 kg caustic soda:
5 jerrycans à 25 liter zoutzuur
3 jerrycans à 30 liter mierenzuur.
Door het LFO werd het volgende bevonden en bemonsterd:
10 zakken van 25 kg, wit, opschrift Anwil, caustic soda;
5 jerrycans, zwart, 25 liter, etiket zoutzuur 36%;
vloeistof monster uit partij 5 jerrycans, zwart, 25 liter, etiket zoutzuur 36%. Dit monster kreeg Sporen Identificatie Nummer (SIN) AADK3052NL;
3 jerrycans, blauw, 30 liter, opschrift "MEER", geur mierenzuur;
vloeistof monster uit partij 3 jerrycans, blauw, 30 liter, opschrift "MEER", geur mierenzuur. Dit monster kreeg code SIN AADK3051NL;
De door het LFO genomen monsters zijn opgestuurd naar het Nederlands Forensisch Instituut voor analyse .
In het proces-verbaal van de LFO is te lezen dat de blauwe jerrycans met mierenzuur waren voorzien van het opschrift "MEER" en dat sommige jerrycans waren ontdaan van de wettelijk voorgeschreven etikettering waarop onder andere de stofnaam moet zijn vermeld.
De LFO geeft daarbij aan dat het hun ambtshalve bekend is dat de combinatie zoutzuur, mierenzuur en caustic soda gebruikt kan worden bij de illegale vervaardiging van synthetische drugs met name amfetamine.
Onderzoek Nederlands Forensisch Instituut d.d. 21 december 2015 met zaaknummer 2015.12.16.012, onder meer inhoudende (…):
AADK3052NL, monster kleurloze vloeistof, bevat zoutzuur.
AADDK3051NL, monster kleurloze vloeistof, negatief (bevat mierenzuur)
Zoutzuur is vermeld op bijlage 1 van de Verordening (EG)nummer 273/2004 inzake drugsprecursoren en de bijlage behorende bij de Verordening (EG) nummer 111/2005 betreffende voorschriften voor het toezicht op de handel tussen de Gemeenschap en derde landen in drugsprecursoren. Naar beide verordeningen wordt verwezen in de Wet voorkoming misbruik chemicaliën.
Proces-verbaal bevindingen (…)
De aangetroffen blauwe 30 liter jerrycans met mierenzuur met opschrift 'MEER' vertonen een opmerkelijke gelijkenis met aangetroffen jerrycans in een loods in Echt (zaak 1), een Ford transit in Waalre (zaak 5), een schuur in Overloon (zaak 6), een garagebox in Eindhoven (zaak 7) een VW Crafter in Waalre (zaak 9). Deze aangetroffen jerrycans waren eveneens gekocht bij [A]. Gelet op deze gelijkenis bestaat het vermoeden dat de in de bestelauto aangetroffen jerrycans met mierenzuur met opschrift ‘MEER’ afkomstig waren van [A] S.A.
Proces-verbaal bevindingen navigatiesysteem (…)
Op 11 december 2015 omstreeks 14.13 uur werd [verdachte] door de politie aan de [v-straat 1] te Waalre op heterdaad aangehouden. De Ford Transit is op 11 december 2015 in beslag genomen. In de bestelbus is een navigatiesysteem van het merk Mio aangetroffen. Dit navigatiesysteem is door een medewerker van politie uitgelezen. In het navigatiesysteem is onder recente locaties onder meer opgeslagen de navolgende bestemmingen. In het systeem stonden twee bestemmingen die kennelijk op 10 december 2015 waren ingevoerd, te weten:
[p-straat 2] [plaats] België: Dit adres bevindt zich schuin tegenover [p-straat 1] het woonadres van [betrokkene 6] waar de chemicaliën werden geladen.
Kerkstraat 10 te Eersel: De Kerkstraat in Eersel omgeeft aan twee kanten het driehoekige Carquefouplein, waar de Ford Transit [kenteken 11] en de VW Touran [kenteken 18], bestuurd door [betrokkene 2] , tot twee maal toe samen kwamen.
Proces-verbaal bevindingen (…)
Bij zijn aanhouding op 11 december 2015 was [verdachte] in het bezit van 2 telefoons. Een van deze telefoons van het merk Nokia, type 105, met het telefoonnummer +[telefoonnummer 8] kon worden uitgelezen. Dit telefoonnummer had op 10 en 11 december 2015 vrijwel uitsluitend contact met het telefoonnummer [telefoonnummer 9], opgeslagen als "A". Dit nummer was vermoedelijk in gebruik bij verdachte [medeverdachte 4] .
De Nokia, type 105 met het telefoonnummer + [telefoonnummer 8] ontving op 10 december 2015 een bericht met de tekst: "Welkom in België".
Op de simkaart in de telefoon waren sms-berichten opgeslagen waaronder de volgende :
SIM:
10-12-2015 11:43:05 (UTC+1), ontvangen van+[telefoonnummer 9] "A"
"Hoi maat kijk goed dat je goeie laait ok en schrijf me f aub op wat er dan nog bij
[betrokkene 13]staat ok".
SIM:
10-12-2015 11:44:54 (UTC+1), ontvangen van +[telefoonnummer 9] "A"
"Bedankt"
SIM:
10-12-2015 12:37:14 (UTC+1), ontvangen van +[telefoonnummer 9] "A"
"Ben je al bij
[betrokkene 13]maat"
SIM:
10-12-2015 12:57:58(UTC+1), ontvangen van +[telefoonnummer 9] "A"
"Ok"
SIM:
10-12-2015 13:47:50 (UTC+1), ontvangen van +[telefoonnummer 9] "A"
"Ben je al bij
[betrokkene 13]maat"
SIM:
10-12-2015 13:53:19 (UTC+1), ontvangen van +[telefoonnummer 9] "A"
"Ok maat je weet die
langeis me aan sms als alles ok is ik heb ja gezeg sms me als je bijna bij
eerselbent maat komt goed doe je eigen ding"
SIM:
10-12-2015 14:32:43 (UTC+1), ontvangen van +[telefoonnummer 9] "A"
"Ok maat sms 20 min voor je er bent ok"
GSM:
10-12-2015 15:30:54, verzonden naar +[telefoonnummer 9] "A"
"Half uurtje ben ik er krijg ik papier mee of niet ?"
SIM:
10-12-2015 15:31:36 (UTC+1), ontvangen van +[telefoonnummer 9] "A"
"Ok ik sms je zo over papieren"
SIM:
10-12-2015 15:37:56 (UTC+1 ), ontvangen van +[telefoonnummer 9] "A"
"Nee maat lossen en na huis ok sms als je ook thuis bent"
GSM:
10-12-2015 15:49:36, verzonden naar +[telefoonnummer 9] "A"
"Oke"
GSM:
10-12-2015 17:09:59, verzonden naar +[telefoonnummer 9] "A"
"Ik ben nu op terug weg ma moet morgen wel terug na [betrokkene 13] m khad paar verkeerde meegenomen maar mijn fout ik ga die morgenv halen"
GSM:
10-12-2015 17:11:21, verzonden naar +[telefoonnummer 9] "A"
"Verder is alles goed"
SIM:
10-12-2015 17:12:06(UTC+1 ), ontvangen van +[telefoonnummer 9] "A"
"Ok maat ik zie je morgen"
SIM:
10-12-2015 17:12:34(UTC+1), ontvangen van +[telefoonnummer 9] "A"
"Ok is goed"
GSM:
10-12-2015 17:13:04, verzonden naar +[telefoonnummer 9] "A"
"Ja is goed maak dr nog fijne dag van"
SIM:
10-12-2015 17:14:16(UTC+1), ontvangen van +[telefoonnummer 9] "A"
"Ok dankje"
SIM:
10-12-2015 17:18:19(UTC+ 1), ontvangen van +[telefoonnummer 9] "A"
"Maat had je ook op geschreven wat er nu nog bij
[betrokkene 13]staat"
GSM:
10-12-2015 17:21:09, verzonden naar +[telefoonnummer 9] "A"
"ja als ik morgen recht heb gezet dan nog
6 zakken 5 zwarte en geloof 150 zwz"
SIM:
10-12-2015 17:21:45(UTC+1 ), ontvangen van +[telefoonnummer 9] "A"
"Ok bedank"
SIM:
10-12-2015 17:38:09(UTC+I), ontvangen van +[telefoonnummer 9] "A"
39
"Maat wel eerst die zwarte er uit als je gaat en ik moet van lange vragen hoe laat je morgen vroeg rijd na jam"
GSM:
10-12-2015 17:38:59, verzonden naar +[telefoonnummer 9] "A"
Ik rij tegen 7 uur"
SIM:
10-12-2015 17:39:48(UTC+1), ontvangen van +[telefoonnummer 9] "A"
"Ok geef ik dat door"
SIM:
10-12-2015 17:42:00(UTC+1), ontvangen van +[telefoonnummer 9] "A"
"Maat lange wil je nog f zien kan dat en hoe laat"
GSM:
10-12-2015 18:07:41, verzonden naar +[telefoonnummer 9] "A"
"Ja kan half 8 bij tref bij kfc oke"
SIM:
10-12-2015 18:08:17(UTC+1), ontvangen van +[telefoonnummer 9] "A"
"Ok geef ik door"
SIM:
10-12-2015 18:12:10(UTC+1), ontvangen van +[telefoonnummer 9] "A"
"Ok is om half 8 daar"
GSM: 10-12-2015 18:18:42, verzonden naar+[telefoonnummer 9] "A"
"Oke"
Proces-verbaal bevindingen (…)
Bij analyse van historische verkeersgegevens van onder andere de telefoonnummers +[telefoonnummer 9] en +[telefoonnummer 8] is het volgende vastgesteld:
• het telefoonnummer [telefoonnummer 9] werd gebruikt van 9 december 2015 tot en met 11 december 2015. Het gebruik stopte op de dag waarop [verdachte] werd aangehouden;
• het telefoonnummer [telefoonnummer 9] had enkel contact met telefoonnummer [telefoonnummer 8] welke telefoon [verdachte] bij zijn aanhouding bij zich droeg;
(…)
Cell-ID gegevens uit historische verkeersgegevens van [telefoonnummer 9]
In de historische verkeersgegevens van telefoonnummer [telefoonnummer 9] komen zendmastgegevens voor van in totaal 61 aangestraalde Cell-ID's met een bekend Cell-ID-nummer van provider KPN.
De meest aangestraalde Cell-ID in deze historische verkeersgegevens betreft Cell-ID met nummer KPN-348012592. Deze Cell-ID werd door dit telefoonnummer in totaal 38 keer aangestraald als startpaal. Dit is ongeveer 62,3% van alle aangestraalde Cell-ID's in deze historische verkeersgegevens (38 van 61). Van deze 38 aanstralingen vonden er 6 plaats in de avonduren (tussen 18.00 en 21 .00 uur) en de andere 32 aanstralingen vonden plaats in de daguren (tussen circa 11.00 en 18.00 uur). De overige 23 aanstralingen (61 minus 38) vonden uitsluitend plaats tijdens de daguren (tussen 09.00 en 18.00 uur).
Het vermoeden bestaat dat het telefoonnummer bij verdachte [medeverdachte 4] in gebruik was, onder andere vanwege de frequentie en tijdstippen waarop de Cell-ID KPN-348012592 nabij het woonadres van verdachte [medeverdachte 4] door het telefoonnummer [telefoonnummer 9].
Levering van 27 november 2015 en 11 december 2015 (zaaksdossier 5)
(Bewezen bij [medeverdachte 4] en [verdachte] )

27 november 2015

Een schriftelijk bescheid, proces-verbaal van de Federale Gerechtelijke Politie te Luik onder meer inhoudende (…):
Op 26 november 2015 om 10.35 uur, doet gebruiker van het nummer [telefoonnummer 4] , per SMS het voorstel voor een afspraak de volgende dag om 10.00 uur in Maastricht.
2) [betrokkene 6] bevestigt onmiddellijk de afspraak per SMS door om 10.35 uur te antwoorden SMS: "OK".
3) Deze afspraak vindt inderdaad plaats op vrijdag 27/11/2015 en wordt bevestigd door de activering van de antennes bij de grens "Visé 4600 - Résidence des 3 rois, Allée des Alouettes" om 10.21 uur.
Proces-verbaal observaties op 27 november 2015 (…):
Omstreeks 09.30 uur is de observatie aangevangen bij hotel Golden Tulip Apple Park (hierna te noemen: het hotel) (...) te Maastricht.
Omstreeks 09.54 uur wordt gezien dat een bestelauto van het merk Fiat Doblo, kleur wit met Nederlands kenteken [kenteken 17] over de parkeerplaats bij het hotel rijden. Deze werd bestuurd door contact 1, [medeverdachte 4] . Ik zag dat de Fiat voor het hotel geparkeerd werd.
Om 10.08 uur zag ik een bestelauto Renault Kangoo, kleur wit, met Belgisch kenteken [kenteken 12]. Ik zag dat deze werd bestuurd door contact 2, [betrokkene 6] .
Ik zag contact 1 uit de Fiat stappen en als passagier in de Renault stappen om 10.09 uur. Om 10.14 uur zag ik contact 1 uit de Renault stappen en weglopen. Ik zag contact 1 in de Fiat stappen en vertrekken. Ik zag de Renault vertrekken.
Een schriftelijk bescheid, proces-verbaal van de Federale Gerechtelijke Politie te Luik onder meer inhoudende (…):
1) Op 27/11/2015, begeeft [betrokkene 6] zich bij zijn terugkomst uit Nederland, onmiddellijk naar het bedrijf [A] vermoedelijk om ... (
noot vertaler: zin eindigt hier).
Om 10.33 uur, vraagt zijn vriendin, met de voornaam [betrokkene 14] (gebruikster van nr. [telefoonnummer 10]) hem per SMS waar hij zich bevindt. Hij antwoordt "op het werk". De geactiveerde antenne bevindt zich in Herstal, gebouw Esplanade de Ja Paix 3, in de nabijheid van het bedrijf [A] .
Afhalen van de chemische producten op 27 november 2015.
1) Om 12.46 uur, rijdt een bestelwagen VW Transporter wit metallic met kenteken nummer [kenteken 10] (Nederland), waarin één persoon zit, naar de woning van [betrokkene 6] .
Het voertuig staat geregistreerd op naam van de genoemde: [betrokkene 11] te [plaats].
Om 13.02 uur, rijdt de witte bestelwagen VW Transporter metallic met kenteken nummer [kenteken 10] (Nederland) het dorp [plaats] uit en draait naar links de N614 op richting Tongeren. Hij rijdt verder en neemt de N79 in de richting van Riemst, vervolgens de N278 tot aan de Belgisch-Nederlandse grens om 13.34 uur.
Proces-verbaal observaties op 27 november 2015 (…)
Om 14.00 uur heb ik de observatie op de Rijksweg A2 van de witte bedrijfsauto van het merk Volkswagen Transporter [kenteken 10] met als bestuurder NN1.
Ik zag om 14.45 uur dat de Volkswagen [kenteken 10] het woonwagenkamp gelegen aan de [i-straat] te Waalre, het woonwagenkamp, oprijden en parkeren.
Om 14.48 uur heeft de Volkswagen Transporter het woonwagenkamp verlaten met dezelfde bestuurder.
Hierop is de Volkswagen Transporter gevolgd naar een terrein aan de Roevenweg te Nederweert waar deze geparkeerd werd.
(…) proces-verbaal bevindingen:
Op dit adres (
het hof begrijpt: het hierboven genoemde perceel aan de Roevenweg) is autoverhuurbedrijf [betrokkene 11], genaamd [H].
Om 15.18 uur is gezien dat de bestuurder van de Volkswagen Transporter, [verdachte] , op een brug stond in de Molenberg te Nederweert.
Omstreeks 15.28 uur zag het observatieteam dat [verdachte] in een witte bedrijfsauto, Fiat Doblo kenteken [kenteken 17] stapte. De Fiat Doblo stond toentertijd op naam van [medeverdachte 4] . De bestuurder van de Volkswagen Transporter werd in de [w-straat] in [plaats] afgezet door de bestuurder van de Fiat Doblo. Vervolgens liep hij naar de woning [q-straat 1].
Proces-verbaal bevindingen (…)
Mede naar aanleiding van beelden (…) heeft er herkenning plaatsgevonden van de bestuurder als zijnde [verdachte] . Volgens het klantenregistratiesysteem van de Belastingdienst dat gekoppeld is aan de GBA woont [verdachte] aan de [q-straat 1] te [plaats].
Factuur d.d. 27 november 2015 (…), cliënt [betrokkene 6] betreffende
216 kg zoutzuur.
De partij is contant afgerekend.
Verhoor [betrokkene 11], [H] autoverhuurbedrijf, onder meer inhoudende:
(…)
Ik zie in mijn kasboek dat op 27 november 2015 de aantekening ' [verdachte] Venlo [kenteken 10] '. Ik ben er zeker van dat deze auto op deze datum gehuurd is door [verdachte] . De knaap die in december 2015 de Ford Transit [kenteken 11] huurde.

11 december 2015

Een schriftelijk bescheid, proces-verbaal van de Federale Gerechtelijke Politie te Luik onder meer inhoudende (…):
Op 10 december om 19.52 uur, laat [medeverdachte 4] , gebruiker van het nummer [telefoonnummer 4] , aan [betrokkene 6] weten dat zij de volgende dag om 09.00 uur een afspraak hebben in het "RESTAURANT".
Tijdens dit gesprek noemt [betrokkene 6] zijn gesprekspartner inderdaad bij zijn voornaam "[medeverdachte 4]" (…). [betrokkene 6] bevestigt dat hij aanwezig zal zijn.
1) De analyse van de antennes die in de ochtend van 11 december zijn geactiveerd toont aan dat [betrokkene 6] zich naar het chemisch bedrijf [A] heeft begeven.
Afhalen van de chemische producten op 11-12-2015
1) Om 12.15 uur werd de grijze bestelwagen Ford Transit, met Nederlands kenteken nummer, die de vorige dag werd gezien, opnieuw opgemerkt in het dorp [plaats].
Dit voertuig staat geregistreerd op naam van [betrokkene 11].
2) Om 12.35 uur verlaat de bestuurder van de grijze bestelwagen Ford Transit, kenteken [kenteken 11] (NL) de woning van [betrokkene 6] . Hij zal de autoweg in de richting van Nederland nemen.
3) Om 12.54 uur passeert de grijze bestelwagen Ford Transit met kenteken [kenteken 11] (NL) de grens ter hoogte van Visé op de autoweg E25.
4) Uit informatie die wij hebben verkregen van onze Nederlandse collega's, heeft deze observatie geleid tot een interventie van hun kant op het voertuig en zijn bestuurder.
Factuur d.d. 11 december 2015 (…), cliënt [betrokkene 6] betreffende
Soude caustique perles 25 kg 250 kg
Methanol 30 liter
De partij is contant afgerekend.
Proces-verbaal observaties op 11 december 2015 (…)
Om 12.52 uur zag ik dat de Ford Transit met het kenteken [kenteken 11] de grens van België
14.09 uur zagen wij dat de Transit stopte bij de pomp van het Shell tankstation aan de [v-straat 1] te Waalre. Vervolgens zag ik, L136 dat [verdachte] als bestuurder uit de transit stapte en de shop van Shell naar binnen liep.
14.10 uur zagen we dat [verdachte] uit de shop van het Shell tankstation kwam en werd aangesproken door de collegae in uniform.
De observatie werd beëindigd.
Wij L136 en L145 herkend subject 1 [verdachte], geboren [geboortedatum] 1989.
Proces-verbaal bevindingen (…)
Wij wilden de bestuurder van de bestelbus kenteken [kenteken 11] controleren. Van FIOD was er informatie dat er mogelijk chemicaliën voor de productie van synthetische drugs in het busje zouden liggen.
We mochten in zijn voertuig kijken. Op 11 december 2015 omstreeks 14.12 uur zagen we achter in het voertuig in de laadruimte een groot aantal zakken met witte korrelachtige substantie. Wij zagen het opschrift Anwil. Ook zagen wij een aantal zwarte en blauwe jerrycans. We roken een penetrante lucht welke overeen kwam met de lucht van Apaan. Wij hebben [verdachte] aangehouden.
Proces-verbaal bevindingen onderzoek aangetroffen chemicaliën (…)
Op 14 december 2015 stelde ik een onderzoek in aan de chemicaliën aangetroffen in de laadruimte van de auto [kenteken 11] .
Aangetroffen zijn:
- 20 zakken à 25 kg/stuk, onder meer voorzien van de opdruk 'CAUSTIC SODA', gevuld met witte pellets;
- 15 zwarte jerrycans, 25 liter/stuk, waarvan 5 voorzien van een etiket met onder meer de opdruk 'ZOUTZUUR 36%'; alle jerrycans waren geheel gevuld met een heldere, kleurloze zure en rokende vloeistof (indicatief zoutzuur);
- 4 blauwe jerrycans, 30 liter/stuk, niet voorzien van etikettering. Eén jerrycan was voorzien van het opschrift 'MET'; alle jerrycans waren gevuld met een heldere, kleurloze vloeistof (indicatief methanol);
- 7 blauwe jerrycans, waarvan 6 met een inhoud van 20 liter/stuk, en 1 met een inhoud van 30 liter. Drie jerrycans waren voorzien van het opschrift 'ZWZ'. Alle jerrycans waren gevuld met een heldere, lijvige kleurloze, zure, vloeistof (indicatief zwavelzuur).
Monstername
Tijdens het door mij ingestelde onderzoek, heb ik de hieronder genoemde monsters veilig gesteld ten behoeve van een nader analytisch chemisch onderzoek door het Nederlands Forensisch Instituut.
Monstername:
F-2A AAE16600NL bemonstering uit partij van 15 zwarte jerrycans, 25 liter/stuk, waarvan 5 voorzien van een etiket met onder meer de opdruk 'ZOUTZUUR 36%'; alle jerrycans waren geheel gevuld met een heldere, kleurloze zure en rokende vloeistof.
F-3A AAE16601NL bemonstering uit partij van 4 blauwe jerrycans, 30 liter/stuk, niet voorzien van etikettering. Eén jerrycan was voorzien van het opschrift 'MET'; alle jerrycans waren gevuld met een heldere, kleurloze vloeistof.
F-4A AAE16602NL bemonstering uit partij van 7 blauwe jerrycans, waarvan 6 met een inhoud van 20 liter/stuk, en 1 met een inhoud van 30 liter. Drie jerrycans waren voorzien van het opschrift 'ZWZ'. Alle waren gevuld met een heldere, lijvige kleurloze, zure, vloeistof.
Rapport NFI d.d. 24 december 2015 (…), onder meer inhoudende:
Onderzoeksmateriaal en conclusie:
AAE16600NL/ F2-A monster kleurloze vloeistof, volgens opgave uit: (geconcentreerd) "één van 15 zwarte Jerrycans. 25 liter/stuk, waarvan 5 zoutzuur voorzien van een etiket met onder meer de opdruk 1 "ZOUTZUUR 36%-allen geheel gevuld"
Conclusie: (geconcentreerd) zoutzuur
AAE16601 NL/ F3 A
monster kleurloze vloeistof, volgens opgave uit: "één van 4 blauwe Jerrycans. 30 liter/stuk. Eén Jerrycan was voorzien van het opschrift 'MET'";
Conclusie: methanol.
AAE16602NL/ F4-A
monster kleurloze viskeuze vloeistof, volgens opgave (geconcentreerd) uit: "7 blauwe Jerrycans, waarvan 6 met een inhoud van zwavelzuur 20 liter /stuk, en 1 met een inhoud van 30 liter. Drie Jerrycans waren voorzien van het opschrift 'ZWZ'".
Conclusie: geconcentreerd zwavelzuur.
Proces-verbaal bevindingen (…)
Het is het LFO bekend dat de combinatie zoutzuur, methanol en zwavelzuur gebruikt kan worden bij de productie van synthetische drugs zoals amfetamine.
Gelet op de wijze van transport en het ontbreken van een reguliere etikettering op het merendeel van de jerrycans waardoor de inhoud hiervan niet duidelijk herkenbaar was, is het niet aannemelijk dat de vaten een legale bestemming hadden.
Proces-verbaal bevindingen (…)
Bij zijn aanhouding was verdachte [verdachte] in het bezit van twee telefoons, waarvan één telefoon en een simkaart met het telefoonnummer [telefoonnummer 8] door de politie kon worden uitgelezen Dit telefoonnummer had op 10 en 11 december 2015 vrijwel uitsluitend contact met het telefoonnummer [telefoonnummer 9], opgeslagen als "A.
De gebruiker van het telefoonnummer [telefoonnummer 8] op 11 december 2015 om 14.19 uur en 14.23 uur, twee sms-berichten van het telefoonnummer [telefoonnummer 9] waarin deze werd gewaarschuwd voor een zogenaamde "woud"-controle bij het kamp in Waalre en dat hij uit moest kijken.
Opmerking verbalisant: Met het woord "woud" werd vermoedelijk de politie bedoeld. Op dat moment stond er in de nabijheid van het woonwagenkamp in Waalre politie die daar later [verdachte] hebben aangehouden.
Proces-verbaal bevindingen onderzoek historische verkeersgegevens. (…)
Resumé onderzoek historische verkeersgegevens telefoonnummer [telefoonnummer 9]
Uit de historische verkeersgegevens van het telefoonnummer [telefoonnummer 9] blijkt dat in de gevorderde periode, buiten de verkeersmomenten met servicenummers en onjuiste nummernotaties, uitsluitend telefoonverkeer werd gevoerd met het telefoonnummer [telefoonnummer 8].
Bij het uitlezen van de inbeslaggenomen telefoon met de simkaart van telefoonnummer [telefoonnummer 8] van verdachte [verdachte] , werd aan de strafbare feiten gerelateerd sms-berichtenverkeer tussen de gebruikers van deze twee telefoonnummers aangetroffen. Volgens de historische verkeersgegevens werd het telefoonnummer [telefoonnummer 9] gebruikt tot en met de dag van aanhouding van verdachte [verdachte] .
Vanuit de bevindingen uit het onderzoek van de aangestraalde Cell-ID's in de zendmasten nabij de woning van verdachte [medeverdachte 4] door het telefoonnummer [telefoonnummer 9], evenals de bevindingen van de observanten en de bakengegevens van de Volkswagen Touran, [kenteken 18], op 10 december 2015 waarmee verdachte [betrokkene 2] kan worden uitgesloten als de gebruiker, bestaat het vermoeden dat verdachte [medeverdachte 4] vrijwel zeker de gebruiker van het telefoonnummer [telefoonnummer 9] was.
Verhoor [betrokkene 11], d.d. 29 december 2015 van Nooitgedacht autoverhuurbedrijf, onder meer inhoudende: (…)
De Ford Transit [kenteken 11] is verhuurd aan [verdachte] . Gehuurd voor maximaal een week vanaf donderdag 10 december 2015.
Proces-verbaal bevindingen (…)
In de doorzochte Ford Transit [kenteken 11] werden jerrycans met zoutzuur 36%, in beslaggenomen.
Hiervan waren 10 van de 15 jerrycans niet voorzien van een etiket. Daarnaast werden in de doorzoeking van deze auto jerrycans met zwavelzuur en methanol in beslag genomen. De jerrycans met zwavelzuur en methanol waren ook etiketloos en voorzien van de aantekeningen "ZWZ" en "MET".
Verklaring [verdachte] d.d. 18 januari 2016 13.01 uur (…)
Ik heb (...) één transport met chemicaliën gedaan.
De verklaring van verdachte ter terechtzitting van 21 maart 2018, onder meer inhoudende: (
BFK: betreft doublure eerste bewijsmiddel)’
36. Het hof heeft in verband met het onder 1 bewezenverklaarde onder meer het volgende overwogen:
‘Uit de door het hof gebezigde bewijsmiddelen blijkt het volgende.
i. De transporten
Verdachte heeft zowel ter terechtzitting in eerste aanleg als in hoger beroep verklaard dat hij vaker bestelbussen heeft gehuurd en dat hij wel eens chemicaliën heeft vervoerd, omdat hem daarvoor geld is aangeboden. Verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard hoogstens 5 keer een transport te hebben verricht. Uit de bewijsmiddelen blijkt dat er een zestal transporten hebben plaatsgevonden – te weten op 25 augustus 2015, 10 november 2015, 24 november 2015, 27 november 2015, 10 december 2015 en 11 december 2015 – waarbij verdachte geïdentificeerd is als bestuurder van het voertuig. Bij deze transporten zijn ook daadwerkelijke (grote) hoeveelheden chemicaliën (zoals zoutzuur, zwavelzuur, mierenzuur, caustic soda en methanol) aangetroffen.
Aldus stelt het hof vast dat verdachte een zestal transporten heeft verricht waarbij chemicaliën zijn vervoerd en waarbij hij deze chemicaliën voorhanden heeft gehad.
ii. (Voorwaardelijk) opzet
(…)
Uit de bewijsmiddelen en het verhandelde ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep, blijkt het navolgende.
- Verdachte heeft zes keer tegen een geldelijke vergoeding een voertuig gehuurd voor een persoon of personen, van wie hij de na(a)m(en) niet wil noemen;
- Met dit door hem gehuurde voertuig heeft hij in opdracht van deze persoon of personen vijf keer bij een woning van een particulier in België en één keer bij een bedrijf in chemicaliën in Luik telkens een grote hoeveelheid chemicaliën opgehaald. Verdachte heeft geen aannemelijke of verifieerbare verklaring gegeven met betrekking tot een eventuele legale bestemming van de chemicaliën;
- De verpakkingen van de chemicaliën die hij op 11 december 2015 vervoerde, waren voor het merendeel niet voorzien van etiketten en dat was ook telkens het geval bij de verpakkingen die zijn aangetroffen op de plaatsen waar de lading werd gelost ([n-straat 1] in [plaats], [t-straat 1] in Veen en [o-straat 1] in Eersel);
- De chemicaliën heeft hij telkens met het door hem gehuurde voertuig over de grens naar Nederland gebracht;
- In Nederland heeft er een overdracht van de vracht plaatsgevonden. Op 25 augustus 2015 is verdachte met zijn vracht naar een parkeerplaats bij McDonalds gereden. Op 10 november 2015 heeft de overdracht plaatsgevonden in de nabijheid van een woning in Eindhoven en op 24 november 2015 heeft de overdracht plaatsgevonden bij een carpoolplaats in Urmond. Verdachte is toen de laadruimte van de bestelbus in gegaan en droeg hierbij handschoenen. Op 27 november 2015 is verdachte met de vracht naar het woonwagenkamp te Waalre gereden, waarna hij naar Nederweert is gegaan. Op 10 december 2015 is verdachte met zijn voertuig naar een perceel in Eersel gereden, waarbij tijdens observaties is gezien dat verdachte goederen in een zeecontainer laadde.’
Bespreking van het middel
37. De steller van het middel meent dat het hof terecht heeft overwogen dat de verdachte is aan te merken als ‘marktdeelnemer’ in de zin van art. 8, eerste lid, jo. art. 2 onder Pro d Verordening (EG) nr. 273/2004. Gezien de bewezenverklaring van feit 1 zou het hof voorts hebben vastgesteld dat de verdachte het vervoeren, afleveren en/of voorhanden hebben van de in de tenlastelegging van feit 2 voorkomende hoeveelheden zoutzuur en zwavelzuur heeft verricht ter voorbereiding van het opzettelijk bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren, vervaardigen en binnen het grondgebied van Nederland brengen van MDMA en/of amfetamine en/of mefedron. De steller van het middel wijst er vervolgens op dat de verordening het begrip ‘voorval’ niet nader definieert. Uit de considerans van de verordening onder (10) en (12)) zou volgen dat als synoniem het begrip ‘verdachte transactie’ wordt gebruikt. Gelet op het doel van de verordening zou moeten worden aangenomen dat het begrip ‘voorval’ ruim moet worden uitgelegd. Tegen deze achtergrond zou ’s hofs oordeel blijk geven van een onjuiste rechtsopvatting doordat aan het begrip ‘voorval’ een te beperkte uitleg is gegeven.
38. Het begrip ‘marktdeelnemer’ was ten tijde van het tenlastegelegde feit in art. 2 onder Pro d Verordening (EG) nr. 273/2004 gedefinieerd als: ‘elke natuurlijke of rechtspersoon die betrokken is bij het in de handel brengen van geregistreerde stoffen’. Van ‘in de handel brengen’ is volgens art. 2 onder Pro c van de verordening sprake bij ‘elke levering, al dan niet tegen betaling, van geregistreerde stoffen in de Unie, dan wel, met het oog op de levering ervan in de Unie, de opslag, vervaardiging, productieverwerking, de handel, distributie of handelsbemiddeling in deze stoffen’. Deze omschrijving duidt erop dat afnemers van geregistreerde stoffen als zodanig niet als marktdeelnemers zijn aan te merken. In die lijn heeft Uw Raad, in HR 15 juni 2021, ECLI:NL:HR:2021:849 overwogen dat het hof had vastgesteld dat de verdachte 4.000 liter zoutzuur heeft besteld en na aflevering voorhanden heeft gehad en dat de verdachte het zoutzuur voorhanden had met het oog op de levering ervan in de Europese Unie. En dat het hof – mede – op grond van deze vaststellingen heeft geoordeeld dat de verdachte als marktdeelnemer niet aan zijn meldingsplicht heeft voldaan (rov. 2.5.1 en 2.5.2).
39. Het hof heeft in de onderhavige zaak in verband met de bewezenverklaring onder 1 overwogen dat uit de bewijsmiddelen en het verhandelde ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep blijkt dat de verdachte ‘zes keer tegen een geldelijke vergoeding een voertuig heeft gehuurd voor een persoon of personen, van wie hij de na(a)m(en niet wil noemen’ en ‘in opdracht van deze persoon of personen (…) telkens een grote hoeveelheid chemicaliën (heeft) opgehaald’. Daarna heeft in Nederland telkens een ‘overdracht van de vracht plaatsgevonden’. Dat de verdachte in opdracht van een ander heeft gehandeld zou aanleiding kunnen zijn om van medeplegen met een ‘marktdeelnemer’ te spreken. Ik wijs er in dat verband op dat elke marktdeelnemer die geregistreerde stoffen van de categorieën 1 en 2 van bijlage I in de handel wil brengen een verantwoordelijke moet aanwijzen (art. 3, eerste lid, Verordening). Dat duidt erop dat van betrokkenheid als vereist door de omschrijving van marktdeelnemer niet (per definitie) sprake behoeft te zijn bij handelen voor een ander. Ik attendeer er voorts op dat de feitelijke gedragingen waar het ‘in de handel brengen’ mee gepaard gaat ook door derden kunnen worden verricht, zoals bezorgdiensten. Ook tegen die achtergrond rijst de vraag of het enkele (vervoeren en) afleveren de betrokkene tot marktdeelnemer maakt. Ik kom daar nog op terug.
40. Anders dan de steller van het middel meen ik dat uit de overwegingen 10 en 12 in de considerans van de verordening niet volgt dat het begrip ‘voorval’ een synoniem is van het begrip ‘verdachte transactie’. Dat blijkt al uit art. 8, eerste lid, Verordening (EG) nr. 273/2004, waar naast ongewone transacties ook ‘ongewone orders voor (…) in de handel te brengen geregistreerde stoffen’ als voorvallen worden aangemerkt. In dit verband verdient de aandacht dat op het informatieblad van de Belastingdienst ook ‘diefstal van drugsprecursoren’ als meldingsplichtig voorval wordt genoemd. Tegelijk is de omstandigheid dat art. 8, eerste lid, van Verordening (EG) nr. 273/2004 bij het begrip ‘voorval’ de ‘ongewone orders voor of transacties met in de handel te brengen geregistreerde stoffen’ expliciet noemt, een indicatie dat de enkele aanwijzing van mogelijk misbruik van geregistreerde stoffen nog niet een ‘voorval’ oplevert waar een marktdeelnemer melding van moet maken. Deze specificatie duidt erop dat het moet gaan om een omstandigheid die (rechtstreeks) samenhangt met het in andere handen komen van drugsprecursoren. Dat orders en transacties bij de meldingsplicht centraal staan, kan ook worden afgeleid uit de tweede volzin van art, 8, eerste lid, Verordening (EG) nr. 273/2004: marktdeelnemers verstrekken informatie aan de hand waarvan de instanties ‘de legitimiteit van de desbetreffende order of transactie kunnen verifiëren’.
41. Ook het systeem van Verordening (EG) nr. 273/2004 bevat aanwijzingen in die richting. De verordening kent naast de marktdeelnemer de ‘gebruiker’ (art. 2 onder Pro h). Op de gebruiker rust geen meldingsplicht. De marktdeelnemer is verplicht elke afnemer van een geregistreerde stof van categorie 1 of 2 van bijlage 1 bij de verordening te vragen om een afnemersverklaring waarin de gebruiksdoeleinden worden gespecificeerd (art. 4). De marktdeelnemer moet ervoor zorgen dat transacties die leiden tot het in de handel brengen van deze geregistreerde stoffen naar behoren gedocumenteerd zijn (art. 5). En de marktdeelnemers dienen ervoor te zorgen dat deze geregistreerde stoffen van een etiket zijn voorzien alvorens ze geleverd worden (art. 7). Deze verplichtingen van de marktdeelnemer uit hoofde van de verordening hangen derhalve (kort gezegd) met de transactie en levering samen. Ook het verband met art. 12 van Pro het Verdrag van Wenen is een aanwijzing dat het gaat om omstandigheden die samenhangen met het in andere handen komen van drugsprecursoren (overwegingen 2 en 3). Dat artikel spreekt over ‘fabrikanten, importeurs, exporteurs en groot- en kleinhandelaren, die de bevoegde autoriteiten inlichten over verdachte orders en transacties’.
42. Afzonderlijke aandacht verdient daarbij de definitie van ‘gebruiker’. De Nederlandse tekst spreekt onder meer van een gebruiker als een natuurlijke of rechtspersoon geen marktdeelnemer is, een geregistreerde stof in bezit houdt en zich bezig houdt met ‘overbrenging in recipiënten’ en ‘overbrenging van de ene recipiënt naar de andere’. De Engelse tekst spreekt over ‘filling into containers’ en ‘transfer from one container to another’. Zeker de laatste formulering doet de gedachte opkomen dat ‘vervoeren’ een activiteit is die onder omstandigheden ook door een gebruiker kan plaatsvinden.
43. De bewoordingen en context van de meldingsplicht duiden er voorts op dat de meldingsplicht alleen rust op de marktdeelnemer die de drugsprecursoren levert, niet op de marktdeelnemer die drugsprecursoren afneemt. Art. 8, eerste lid, Verordening (EG) nr. 273/2004 spreekt over een voorval, zoals ‘ongewone orders voor of transacties met in de handel te brengen geregistreerde stoffen’. Dat wijst erop dat de meldingsplicht rust op de marktdeelnemer die de stoffen met het oog op levering voorhanden heeft en een afwijking van ‘gewone’ orders of transacties constateert. Het informatieblad van de Belastingdienst geeft, in lijn daarmee, omstandigheden betreffende de ‘identiteit van de klant’, afwijkende ‘zakelijke praktijken’ en bijzonderheden betreffende de ‘manier van leveren’ aan die tot melding verplichten. In deze richting wijzen ook de andere verplichtingen die de verordening op marktdeelnemers legt. Die verplichtingen hangen – zo bleek - samen met de levering van drugsprecursoren, niet met de afname. [33] Op de marktdeelnemer die de stoffen afneemt, rust in deze interpretatie slechts een meldingsplicht indien en in zoverre hij de stoffen (door een volgende transactie) in de handel kan brengen en in verband daarmee een voorval plaatsvindt.
44. In deze lezing verschilt de onderhavige meldingsplicht tot op zekere hoogte van de meldingsplicht die in de Wwft geregeld is. Zoals aangegeven kan de verplichting uit hoofde van die wet om een ongebruikelijke transactie te melden zowel bij de aankoop als bij de verkoop van een voorwerp op een instelling rusten. Dat verschil kan evenwel een verklaring vinden in de omstandigheid dat niet de wijze van verwerving van het voorwerp maar de aard van het voorwerp centraal staat. De meldingsplicht maakt, zo blijkt ook uit de considerans bij de verordening, deel uit van een systeem van toezicht op de handel. Daarbij past dat melding dient plaats te vinden bij een voorval (zoals een ongewone order of transactie) dat erop duidt dat de stoffen (kort gezegd) in verkeerde handen komen.
45. Er zijn evenwel ook argumenten voor een ruimere interpretatie van het begrip ‘voorval’. De omschrijving van de meldingsplicht biedt slechts beperkte mogelijkheden om de reikwijdte van de meldingsplicht objectief af te grenzen. Orders en transacties zijn in die omschrijving als voorbeeld genoemd. Dat nodigt ertoe uit de nadruk te leggen op de aanwijzingen dat de in de handel te brengen stoffen wellicht zullen worden misbruikt om verdovende middelen of psychotrope stoffen op illegale wijze te vervaardigen. [34] Het heeft daarbij iets contra-intuïtiefs om, in geval een marktdeelnemer over aanwijzingen van dergelijk misbruik beschikt, geen meldingsplicht aan te nemen omdat ofwel niet van een ongewone ‘order’ of ‘transactie’ (dan wel een daarmee gelijk te stellen voorval) sprake is ofwel de marktdeelnemer de afnemer en niet de leverancier van de geregistreerde stoffen is. Te meer daar, zo kan de gedachte zijn, de bestrijding van illegale drugsproductie, waar het uiteindelijk om te doen is, bij een ruime reikwijdte van de meldingsplicht gebaat is.
46. In dat verband wijs ik ook op het arrest dat Uw Raad op 15 juni jongstleden wees. In die zaak was, zo bleek, bewezenverklaard dat de verdachte als marktdeelnemer opzettelijk de bevoegde instanties niet onverwijld in kennis heeft gesteld van één of meer voorvallen met betrekking tot geregistreerde stoffen die er op kunnen wijzen dat deze in de handel te brengen geregistreerde stoffen wellicht worden misbruikt om verdovende middelen en/of psychotrope stoffen op illegale wijze te vervaardigen, door een hoeveelheid van 4000 liter zoutzuur op te slaan en/of voorhanden te hebben. Het hof had in die zaak kennelijk in het opslaan en voorhanden hebben van deze hoeveelheid zoutzuur een voorval gezien dat gemeld had dienen te worden. Uw Raad leidde uit ’s hofs vaststellingen af dat het had geoordeeld ‘dat de verdachte als marktdeelnemer op grond van art. 8 lid 1 Verordening Pro de verplichting had tot verstrekking van informatie met betrekking tot mogelijk misbruik van geregistreerde stoffen om verdovende middelen of psychotrope stoffen op illegale wijze te vervaardigen, maar dat hij niet aan die verplichting heeft voldaan’. En overwoog dat ’s hofs oordeel ‘dat de veroordeling wegens het niet-nakomen van deze verplichting tot het verstrekken van informatie geen schending van het – door artikel 6 EVRM Pro en tevens in het Handvest gewaarborgde – nemo tenetur-beginsel oplevert’, niet van een onjuiste rechtsopvatting getuigde. Daarin zou kunnen worden gelezen dat Uw Raad ervan uitging dat het hof de toepasselijkheid van de meldingsplicht heeft kunnen aannemen. Als gelet op de omstandigheden van het geval geen meldingsplicht bestond, getuigt ’s hofs oordeel dat sprake is van niet-nakomen van deze verplichting van een onjuiste rechtsopvatting. Tegen deze lezing pleit evenwel dat Uw Raad het oordeel dat de verdachte niet aan de meldingsplicht heeft voldaan bij het hof laat, en zich concentreert op de klacht over schending van het nemo tenetur-beginsel.
47. Ik merk voorts op dat in het hiervoor besproken arrest HR 13 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:1078 gedragingen waren tenlastegelegd en bewezenverklaard die met het in andere handen komen van de betreffende stoffen samenhingen en dat in HR 19 november 2019, ECLI:NL:HR:2019:1803 slechts werd geklaagd over de bewijsvoering van het opzet en dat de betreffende klacht met de aan art. 81 RO Pro ontleende formulering werd verworpen. Daarmee kan uit deze arresten niet worden afgeleid hoe Uw Raad denkt over de rechtsvraag betreffende de interpretatie van het begrip ‘voorval’ die in deze zaak aan de orde is.
48. Ten overvloede merk ik nog op dat, anders dan de steller van het middel meent, in verband met de uitleg van het begrip ‘voorval’ geen betekenis toekomt aan de wetsgeschiedenis van de Wet voorkoming misbruik chemicaliën.
49. De uitkomst van het beroep in cassatie is naar het mij voorkomt afhankelijk van de interpretatie van de meldingsplicht en dan in het bijzonder het begrip ‘voorval’. Uitgaande van een restrictieve interpretatie kan het cassatieberoep worden verworpen. In de tenlastelegging onder 2 zijn als voorvallen geen gedragingen omschreven die rechtstreeks leiden tot het in andere handen komen van de daarin omschreven stoffen. Het opslaan en voorhanden hebben van de betreffende stoffen leidt er niet toe dat de stoffen in andere handen komen. Het ontvangen van de betreffende stoffen impliceert dat de stoffen in handen van de verdachte (en zijn mededader(s)) komen. Het vervoeren kan met het leveren aan een klant samenhangen. De interpretatie van de tenlastelegging is evenwel aan de feitenrechter; het hof heeft de tenlastelegging – binnen de begrenzingen van begrijpelijkheid – naar het mij voorkomt aldus uit kunnen leggen dat het vervoeren daarin als ‘feitelijk verrichte’ gedraging is opgenomen, los van het afleveren. Zo opgevat leidt ook het vervoeren er niet toe dat de chemicaliën in andere handen komen.
50. Aan een en ander doet niet af dat, zoals de steller van het middel aanvoert, uit de bewijsvoering van feit 1 zou volgen dat de verdachte in opdracht van personen van wie hij de naam niet wil noemen grote hoeveelheden chemicaliën heeft opgehaald bij een woning van een particulier in België en bij een bedrijf in chemicaliën in Luik, terwijl hij geen aannemelijke of verifieerbare verklaring heeft gegeven met betrekking tot een eventuele legale bestemming van de chemicaliën. En daaraan doet ook niet af dat er een overdracht heeft plaatsgevonden bij een carpoolplaats, dat de verdachte een aantal dagen daarna met de vracht naar een woonwagenkamp is gereden, dat de verdachte zwart werd betaald per rit om de chemicaliën over de grens te brengen en dat de verdachte niet over de juiste vervoersdocumenten beschikte ten behoeve van het vervoeren van dergelijke chemicaliën. Deze feiten en omstandigheden hangen slechts ten dele met het in andere handen komen van de chemicaliën samen. En voor zover daarvan wel sprake is, te denken valt aan de overdracht van de chemicaliën, blijft staan dat het afleveren of overdragen van de betreffende stoffen niet in de tenlastelegging van feit 2 is opgenomen. Het afleveren, dat onder 1 bij twee van de zes transporten bewezen is verklaard, is niet als voorval dat tot melding verplicht in de tenlastelegging van feit 2 opgenomen. [35]
51. Uitgaande van een ruime interpretatie van het begrip voorval, waarin op elke marktdeelnemer de verplichting rust alle informatie te verstrekken die erop kan wijzen dat in de handel te brengen geregistreerde stoffen wellicht worden misbruikt om verdovende middelen of psychotrope stoffen op illegale wijze te vervaardigen, ligt cassatie in de rede. Door op grond van de aard van de tenlastegelegde en feitelijk verrichte gedragingen van de verdachte en de omstandigheden waaronder deze plaatsvonden aan te nemen dat niet sprake is van een meldingsplichtig voorval, heeft het hof bij een keuze voor deze interpretatie aan art. 8, eerste lid, Verordening (EG) nr. 273/2004 een te beperkte uitleg gegeven. Niet de aard van de gedraging maar de aanwijzingen van misbruik geven in de ruime interpretatie de doorslag.
52. Nu zich niet het geval voordoet dat over de juistheid van de interpretatie van art. 8, eerste lid, Verordening (EG) nr. 273/2004 redelijkerwijs geen twijfel kan bestaan, meen ik dat het in de rede ligt op grond van art. 267 VWEU Pro [36] prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie. [37] Daarbij lijkt het mij wenselijk te bevorderen dat zoveel mogelijk duidelijkheid ontstaat over de reikwijdte van de meldingsplicht, en daarom ook een vraag te stellen over het begrip ‘marktdeelnemer’. [38] Ik neem daarbij in aanmerking dat een antwoord waaruit zou blijken dat de verdachte geen marktdeelnemer is, bij de beslissing in cassatie kan worden betrokken indien de door het hof gegeven vrijspraak in het licht van het antwoord op de andere vraag geen stand zou kunnen houden, en dat het antwoord op deze vraag in dat geval ook voor de (eventuele) afdoening na cassatie relevant is. Het gaat voorts in zeker opzicht om een vraag die aan de interpretatie van het begrip ‘voorval’ voorafgaat: eerst als de betrokkene marktdeelnemer is, kan sprake zijn van een meldingsplichtig voorval. Ik stel de volgende twee prejudiciële vragen voor:
1. Dient een persoon die geregistreerde stoffen bij afnemers aflevert ten behoeve van de persoon die de geregistreerde stoffen heeft gekocht als ‘marktdeelnemer’ te worden aangemerkt?
2. Zijn gedragingen als het vervoeren, ontvangen, opslaan en voorhanden hebben van geregistreerde stoffen een voorval waarvan de marktdeelnemer die deze gedragingen verricht de bevoegde instanties in kennis dient te stellen, als hij over aanwijzingen beschikt dat deze in de handel te brengen stoffen wellicht worden misbruikt om verdovende middelen of psychotrope stoffen op illegale wijze te vervaardigen?
53. Het stellen van prejudiciële vragen zou meebrengen dat de zaak dient te worden geschorst hangende de prejudiciële verwijzing.
54. Deze conclusie strekt ertoe dat Uw Raad de behandeling van het cassatieberoep schorst en vragen van uitleg, verband houdende met art. 8, eerste lid, van Verordening (EG) nr. 273/2004, stelt aan het Hof van Justitie van de Europese Unie.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.Het arrest van het hof in de onderhavige zaak en in de zaken van de medeverdachten waarin door het openbaar ministerie cassatieberoep is ingesteld, zijn gepubliceerd op www.rechtspraak.nl: ECLI:NL:GHSHE:2020:1764 ([medeverdachte 4] ), ECLI:NL:GHSHE:2020:1778 ([medeverdachte 5]), ECLI:NL:GHSHE:2020:1797 ([medeverdachte 2]) en ECLI:NL:GHSHE:2020:1802 ([verdachte] ).
2.Voluit: Verordening (EG) nr. 273/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 11 februari 2004 inzake drugsprecursoren, PbEU L47 van 18 februari 2004, p. 1-10. Deze verordening is ook gewijzigd door Verordening (EG) nr. 219/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 11 maart 2009 tot aanpassing aan Besluit 1999/468/EG van de Raad van een aantal besluiten waarop de procedure van artikel 251 van Pro het Verdrag van toepassing is, wat de regelgevingsprocedure met toetsing betreft, PbEU van 31 maart 2009, L87, p. 109-154. Deze wijzigingen betreffen artikelen die voor de beoordeling van het middel niet van belang zijn.
3.Voluit: Verordening (EU) nr. 1258/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 20 november 2013 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 273/2004 inzake drugsprecursoren, PbEU L330 van 10 december 2013, p. 21-29.
4.Voluit: Richtlijn 92/109/EEG van de Raad van 14 december 1992 inzake de vervaardiging en het in de handel brengen van bepaalde stoffen die worden gebruikt voor de illegale vervaardiging van verdovende middelen en psychotrope stoffen, PbEG L370 van 19 december 1992, p. 76-82.
5.Wet van 16 maart 1995,
6.Voluit: Verdrag van de Verenigde Naties tegen de sluikhandel in verdovende middelen en psychotrope stoffen, met Bijlage, Wenen, 20 december 1988. Zie voor de Nederlandse vertaling
7.Zie de Wet van 2 februari 2006,
8.Vgl.
9.Voluit: Verordening (EG) nr. 111/2005 van de Raad van 22 december 2004 houdende voorschriften voor het toezicht op de handel tussen de Gemeenschap en derde landen in drugsprecursoren, PbEU L22 van 26 januari 2005, p. 1-10.
10.Voluit: Verordening (EU) nr. 1259/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 20 november 2013 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 111/2005 van de Raad houdende voorschriften voor het toezicht op de handel tussen de Gemeenschap en derde landen in drugsprecursoren, PbEU L 330 van 10 december 2013, p. 30-38.
11.Ingevolge art. 34 van Pro Verordening (EG) nr. 111/2005 werd Verordening (EEG) nr. 3677/90 van de Raad van 13 december 1990 houdende maatregelen om te voorkomen dat bepaalde stoffen worden misbruikt voor de illegale vervaardiging van verdovende middelen en psychotrope stoffen, PbEG L357 van 20 december 1990 ingetrokken. Art. 3 van Pro deze verordening verplichtte de lidstaten de nodige maatregelen te nemen ‘opdat er een nauwe samenwerking tot stand wordt gebracht tussen de bevoegde autoriteiten en de deelnemers aan het handelsverkeer, en deze laatsten: - de bevoegde autoriteiten onverwijld in kennis stellen van alle voorvallen, zoals ongebruikelijke orders en transacties betreffende geregistreerde stoffen, die doen vermoeden dat dergelijke voor in-, uit- of doorvoer bestemde stoffen zullen worden misbruikt voor de illegale vervaardiging van verdovende middelen of psychotrope stoffen’.
12.Zie https://ec.europa.eu/docsroom/documents/14154/attachments/1/translations/?locale=nl (version 2). Het document dateert van juni 2008.
13.Zie voorts nog het ‘Verslag van de Commissie aan de Raad en het Europees Parlement op grond van artikel 16 van Pro Verordening (EG) nr. 273/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 11 februari 2004 en artikel 32 van Pro Verordening (EG) nr. 111/2005 van de Raad over de uitvoering en de werking van de EU-wetgeving betreffende het toezicht en de controle op de handel in drugsprecursoren’ (EUR-Lex - 52009DC0709 - NL - EUR-Lex (europa.eu). Daaruit kan worden afgeleid dat de Commissie ‘in overleg met de lidstaten en marktdeelnemers uitvoerige richtsnoeren (heeft) opgesteld en activiteiten ontplooid die hen moeten helpen bij de uitvoering van hun taken. (…) Omdat deze richtsnoeren gevoelige informatie bevatten, zijn zij door de bevoegde instanties alleen rechtstreeks aan betrouwbare marktdeelnemers toegezonden’.
14.Voluit: Verordening (EG) nr. 1277/2005 van de Commissie van 27 juli 2005 tot vaststelling van uitvoeringsbepalingen van Verordening (EG) nr. 273/2004 van het Europees Parlement en de Raad inzake drugsprecursoren en van Verordening (EG) nr. 111/2005 van de Raad houdende voorschriften voor het toezicht op de handel tussen de Gemeenschap en derde landen in drugsprecursoren, PbEU.L 202 van 3 augustus 2005, p. 7-33.
15.Voluit: Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/1011 van de Commissie van 24 april 2015 tot aanvulling van Verordening (EG) nr. 273/2004 van het Europees Parlement en de Raad inzake drugsprecursoren en van Verordening (EG) nr. 111/2005 van de Raad houdende voorschriften voor het toezicht op de handel tussen de Unie en derde landen in drugsprecursoren, en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1277/2005 van de Commissie, PbEU L 162 van 27 juni 2015, p. 12-25.
16.Voluit: Uitvoeringsverordening (EU) 2015/1013 van de Commissie van 25 juni 2015 tot vaststelling van voorschriften met betrekking tot Verordening (EG) nr. 273/2004 van het Europees Parlement en de Raad inzake drugsprecursoren en Verordening (EG) nr. 111/2005 van de Raad houdende voorschriften voor het toezicht op de handel tussen de Unie en derde landen in drugsprecursoren, PbEU L 162 van 27 juni 2015, p. 33-64.
17.Wet van 12 oktober 2018,
18.Wet van 15 juli 2008,
19.Voluit: Richtlijn (EU) 2015/849 van het Europees Parlement en de Raad van 20 mei 2015 inzake de voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor het witwassen van geld of terrorismefinanciering, tot wijziging van Verordening (EU) nr. 648/2012 van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van Richtlijn 2005/60/EG van het Europees Parlement en de Raad en Richtlijn 2006/70/EG van de Commissie, PbEU L 141 van 5 juni 2015, p. 73.
20.Zie eerder art. 22 van Pro Richtlijn 2005/60 van het Europees Parlement en de Raad van 26 oktober 2005 tot voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor het witwassen van geld en de financiering van terrorisme, PbEU L 309 van 25 november 2005, p. 15-36, en (nog eerder) art. 6 van Pro Richtlijn 91/308/EEG van de Raad van 10 juni 1991 tot voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor het witwassen van geld, PbEG L 166 van 28 juni 1991, p. 77-82.
21.Art. 37 Richtlijn Pro (EU) 2015/849 luidt: ‘Melding te goeder trouw door een meldingsplichtige entiteit of door een werknemer of een bestuurder van die meldingsplichtige entiteit overeenkomstig de artikelen 33 en 34 vormt geen inbreuk op ongeacht welke op grond van een contract of van een wettelijke of bestuursrechtelijke bepaling opgelegde beperking inzake de openbaarmaking van informatie en leidt voor de meldingsplichtige entiteit, haar bestuurders of werknemers tot geen enkele vorm van aansprakelijkheid, zelfs indien deze niet precies op de hoogte waren van de onderliggende criminele activiteit, en ongeacht of enige illegale activiteit daadwerkelijk heeft plaatsgevonden.’
22.Ten tijde van het plegen van het feit gold de versie die te raadplegen is via https://web.archive.org/web/20160415233946/http:/download.belastingdienst.nl/douane/docs/precursoren_voor_verdovende_middelen_do9541z25fd.pdf. De meest recente versie van dit informatieblad dateert van juni 2021, zie https://download.belastingdienst.nl/douane/docs/pecursoren_voor_verdovende_middelen_do9541z33fd.pdf. De geciteerde onderdelen zijn daarin niet gewijzigd.
23.Zie voor de strafbaarstellingen ten tijde van het tenlastegelegde feit de Wet van 2 februari 2006,
24.Vgl. Rechtbank Rotterdam 17 juni 2021, ECLI:NL:RBROT:2021:5598 en 5599; Rechtbank Oost-Brabant 11 februari 2016, ECLI:NL:RBOBR:2016:533, 534, 537 en 539; Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 15 juli 2013, ECLI:NL:GHSHE:2013:3039; Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 30 mei 2012, ECLI:NL:GHSHE:2012:BW7042; Rechtbank ’s-Hertogenbosch 20 juli 2011, ECLI:NL:RBSHE:2011:BR2037 en BR2042; Rechtbank Breda 14 april 2011, ECLI:NL:RBBRE:2011:BQ2998 en BQ2877. Zie in verband met dit verbod ook (de conclusie van A-G Vegter, randnummers 19-22, voor) HR 9 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:219.
25.Zie Rechtbank Amsterdam 31 oktober 2008, ECLI:NL:RBAMS:2008:BG4853: ‘de wijze van strafbaarstelling (biedt) aan verdachte als normadressaat geen aanknopingspunten (…) om haar handelwijze ter zake van de meldingsplicht op af te stemmen’. Zie in hoger beroep Gerechtshof Amsterdam 5 december 2011, ECLI:NL:GHAMS:2011:BU7292. Zie ook Rechtbank Zutphen 10 april 2012, ECLI:NL:RBZUT:2012:BW1469, BW1489 en BW1495: ‘niet duidelijk is geworden, wat in de reguliere handel (…) gebruikelijke hoeveelheden zijn en bij welke hoeveelheid verdachte rekening had moeten houden met de mogelijkheid dat het een verdachte transactie betrof’.
26.Rechtbank Oost-Brabant 4 mei 2016, ECLI:NL:RBOBR:2016:2222. Zie ook Rechtbank Oost-Brabant 4 mei 2016, ECLI:NL:RBOBR:2016:2235.
27.Rechtbank Den Haag 6 december 2018, ECLI:NL:RBDHA:2018:14330, 14332. In Rechtbank Den Haag 6 december 2018, ECLI:NL:RBDHA:2018:14334 werd de verdachte wel – wegens medeplegen - veroordeeld: ‘de verdachte
28.Gerechtshof ’s-Gravenhage 25 januari 2010, ECLI:NL:GHSGR:2010:BL0534 (vrijspraak); Rechtbank Zeeland-West-Brabant 11 april 2013, ECLI:NL:RBZWB:2013:BZ7214 (vrijspraak) en BZ7138 (veroordeling).
29.Rechtbank Arnhem 20 augustus 2012, ECLI:NL:RBARN:2012:BX5152.
30.Rechtbank Limburg 22 mei 2019, ECLI:NL:RBLIM:2019:4835. Het enkele vervoeren van a naar b was volgens de rechtbank – mede gelet op de definitie van ‘gebruiker’ - niet te beschouwen als ‘in de handel brengen’. Een veroordeling volgde wel in Rechtbank Limburg 22 mei 2019, ECLI:NL:RBLIM:2019:4834, waarin de verdachte de transporten had ‘aangestuurd’ en de chauffeur met bijrijder naar (tussen)bestemmingen had geleid.
31.Rechtbank Noord-Holland 17 april 2018, ECLI:NL:RBNHO:2018:3181.
32.Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 23 september 2015, ECLI:NL:GHARL:2015:7280.
33.Een uitzondering betreft art. 8, tweede lid, Verordening (EG) nr. 273/2004, dat marktdeelnemers verplicht de bevoegde instanties beknopt ‘relevante informatie’ te verstrekken ‘over hun transacties met geregistreerde stoffen’. Die informatieplicht lijkt evenwel vooral in het teken van toezicht op marktdeelnemers te staan. Vgl. art. 14 Verordening Pro (EG) nr. 273/2004 en art. 10, eerste lid, Uitvoeringsverordening (EU) 2015/1013, waaruit volgt dat deze informatie eens per jaar wordt verstrekt.
34.Vgl. in dit verband de strafbaarstelling in art. 2 Wvmc Pro zoals deze luidde toen de wet in 1995 in werking trad (Wet van 16 maart 1995,
35.Wellicht zou het vervoeren van de stoffen onder omstandigheden kunnen worden gezien als onderdeel van een levering die met een verdachte transactie samenhangt (vgl. het informatieblad van de Belastingdienst). Het hof heeft het tenlastegelegde vervoeren evenwel kennelijk niet in die zin geïnterpreteerd, en dat is niet onbegrijpelijk.
36.Voluit: Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, Pb EU C 326/47 van 26 oktober 2012.
37.Vgl. HvJEG 6 oktober 1982, C-283/81, ECLI:EU:C:1982:335 (
38.Vgl. in dit verband de conclusie die ik op 6 juli 2021 nam in de zaak 20/03071 E, noot 11. In die zaak ontbrak het verband met een andere rechtsvraag. Dat onduidelijkheid bestaat over het begrip ‘marktdeelnemer’ kan ook worden afgeleid uit HvJEG 12 februari 2015, C-369/13, ECLI:EU:C:2015:85 (