ECLI:NL:HR:2021:92

Hoge Raad

Datum uitspraak
22 januari 2021
Publicatiedatum
20 januari 2021
Zaaknummer
20/01103
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 Wet op de rechterlijke organisatieInvorderingswet 1990
Verwijzingen
5 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad verklaart beroep in cassatie ongegrond inzake aansprakelijkstelling Invorderingswet

In deze zaak stond de aansprakelijkstelling van belanghebbende op grond van de Invorderingswet 1990 centraal, betreffende nageheven loonbelasting en omzetbelasting van een vennootschap over een specifieke periode in 2008.

De procedure kende meerdere fasen: eerdere arresten van de Hoge Raad vernietigden uitspraken van lagere gerechtshoven en verwezen de zaak telkens terug voor herbeoordeling met inachtneming van de jurisprudentie.

In het derde cassatieberoep stelde de Staatssecretaris een middel voor tegen de uitspraak van het Gerechtshof Den Haag, maar de Hoge Raad oordeelde dat het middel niet tot vernietiging kon leiden en verklaarde het beroep ongegrond. De Hoge Raad motiveerde dit niet uitvoerig, omdat beantwoording van de rechtsvragen niet noodzakelijk was voor de rechtsontwikkeling.

De Staatssecretaris werd veroordeeld in de proceskosten van belanghebbende, vastgesteld op €1.068 voor rechtsbijstand, en moest griffierecht betalen. Het arrest werd gewezen door de vice-president en twee raadsheren en op 22 januari 2021 openbaar uitgesproken.

Uitkomst: Het beroep in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën is ongegrond verklaard.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer20/01103
Datum22 januari 2021
ARREST
in de zaak van
de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN
tegen
[X] te [Z] (hierna: belanghebbende)
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Den Haag van 7 februari 2020, nr. BK 19/00280, betreffende de ten aanzien van belanghebbende gegeven beschikking tot aansprakelijkstelling ingevolge de Invorderingswet 1990 voor de van [A] B.V. te [Z] nageheven loonbelasting en omzetbelasting over de periode 8 september 2008 tot en met 30 november 2008.

1.Het eerste en tweede geding in cassatie

Bij arrest van de Hoge Raad van 31 maart 2017, nr. 15/02939, ECLI:NL:HR:2017:530, is vernietigd de uitspraak van het Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (nr. 13/00978), met verwijzing van het geding naar het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dat arrest. Bij arrest van de Hoge Raad van 12 april 2019, nr. 18/01266, ECLI:NL:HR:2019:576, is vernietigd de uitspraak van het laatstgenoemde Hof (nr. 17/00404), met verwijzing van het geding naar het Gerechtshof Den Haag (hierna: het Hof) ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dat arrest.

2.Het derde geding in cassatie

De Staatssecretaris heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld en daarbij een middel voorgesteld.
Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend.

3.Beoordeling van het middel

De Hoge Raad heeft het middel over de uitspraak van het Hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat het middel niet kan leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van het middel is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie).

4.Proceskosten

De Staatssecretaris zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie.

5.Beslissing

De Hoge Raad:
- verklaart het beroep in cassatie ongegrond, en
- veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van belanghebbende voor het geding in cassatie, vastgesteld op € 1.068 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.E. van Hilten als voorzitter, en de raadsheren P.M.F. van Loon en J.A.R. van Eijsden, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 22 januari 2021.
Van de Staatssecretaris van Financiën wordt een griffierecht geheven van € 532.