Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van de cassatiemiddelen
3.Beslissing
15 juni 2021.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep van een 45-jarige verdachte die werd veroordeeld voor ontuchtige handelingen met zijn 13-jarige stiefdochter, gepleegd tussen 1 juni 2009 en 31 juli 2010. Het hof Arnhem-Leeuwarden had de feiten bewezen verklaard en gekwalificeerd onder art. 245, 247 en 248.2 Sr, waarbij de strafverzwarende omstandigheid van art. 248.2 Sr pas vanaf 1 januari 2010 van kracht was.
De verdachte stelde in cassatie onder meer dat het hof ten onrechte de kwalificatie had toegepast over de gehele periode, terwijl de strafverzwarende omstandigheid pas later gold. Ook betwistte hij de wijze van ten laste leggen, waarbij ontuchtige handelingen werden gecombineerd met binnendringingshandelingen.
De Hoge Raad oordeelde dat deze klachten niet tot vernietiging van het arrest konden leiden en dat het niet nodig was om de vragen die van belang zijn voor de rechtsontwikkeling te beantwoorden. De conclusie van de advocaat-generaal om het arrest te vernietigen alleen inzake de kwalificaties werd niet gevolgd. Het beroep werd verworpen, waarmee het hofarrest in stand bleef.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het hofarrest blijft in stand.