Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het eerste cassatiemiddel
4.Beslissing
15 juni 2021.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen het arrest van het hof Arnhem-Leeuwarden van 7 februari 2020, waarin de verdachte werd veroordeeld voor poging tot doodslag en vernieling. Het hof legde een gevangenisstraf op en nam een herstelbeslissing op 8 april 2020, waarin het een beslissing toevoegde over de schadevordering van de benadeelde partij.
De Hoge Raad oordeelt dat de herstelbeslissing van het hof niet als een eenvoudige correctie kan worden aangemerkt, omdat de toevoegingen betrekking hebben op inhoudelijke overwegingen en een schadevergoedingsmaatregel. Daarom vernietigt de Hoge Raad het arrest voor zover het hof deze wijzigingen heeft aangebracht.
Daarnaast constateert de Hoge Raad ambtshalve dat het hof in het oorspronkelijke arrest geen gemotiveerde beslissing heeft genomen op de schadevordering van de benadeelde partij, terwijl dit op grond van de wet wel verplicht was. De Hoge Raad wijst de zaak terug naar het hof voor een nieuwe beoordeling en beslissing over deze vordering.
Het beroep van de verdachte wordt voor het overige verworpen. De uitspraak is gewezen door de vice-president en twee raadsheren en uitgesproken in openbare terechtzitting.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt deels vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde beslissing op de schadevordering van de benadeelde partij.