Conclusie
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CONCLUSIE
eerstemiddel klaagt over de bewijsvoering van de poging tot doodslag. Voorafgaand aan de bespreking van dit middel geef ik de bewezenverklaring onder 1, de bewijsmiddelen en ’s hofs bewijsoverweging weer.
Het in de wettelijke vorm opgemaakteproces-verbaal van aangifte van [benadeelde] en de bijgevoegde foto’s van het letsel(…) voor zover inhoudende -zakelijk weergegeven-:
Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal (…) voor zover inhoudende -zakelijk weergegeven-,als verklaring van getuige [betrokkene 3]:
Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal (…) voor zover inhoudende -zakelijk weergegeven-,als verklaring van getuige [betrokkene 2]:
Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal (…) voor zover inhoudende -zakelijk weergegeven-,als verklaring van getuige [betrokkene 4]:
Standpunt verdediging
ten aanzien van het onder feit 1 primair tenlastegelegdein het bijzonder het volgende.
tweedemiddel klaagt dat de toewijzing van de vordering van de benadeelde partij en het opleggen van een schadevergoedingsmaatregel in het herstelarrest ongeoorloofd zijn, en dat de bestreden uitspraak moet worden vernietigd voor zover het de wijzigingen betreft die het hof daarin heeft aangebracht bij zijn nadien gegeven beslissing.
Herstelarrest:
€ 1.024,99 (duizend vierentwintig euro en negenennegentig cent) bestaande uit € 24,99 (vierentwintig euro en negenennegentig cent) materiële schade en € 1000,00 (duizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
NJ2020/420 m.nt. Vellinga deed zich eveneens een situatie voor waarin het hof de vordering van de benadeelde partij in een herstelarrest alsnog had toegewezen. Het gerechtshof had in die zaak op 26 januari 2018 arrest gewezen. Tegen dat arrest had de verdachte aanvankelijk geen cassatieberoep ingesteld. Bij herstelarrest van 29 augustus 2018 had het hof alsnog de vorderingen van twee benadeelde partijen toegewezen en schadevergoedingsmaatregelen opgelegd. De verdachte had vervolgens op 10 september 2018 alsnog cassatieberoep ingesteld. Dat bracht mee dat in die zaak de vraag naar de ontvankelijkheid van het cassatieberoep een belangrijke rol speelde. Uw Raad overwoog in het betreffende arrest, voor zover van belang:
NJ2012/490 m.nt. Borgers deed zich de volgende situatie voor. Het hof had de verdachte bij arrest van 2 juni 2010 veroordeeld tot een gevangenisstraf van 22 maanden, waarvan 10 maanden voorwaardelijk. In een herstelbeslissing van 29 juni 2010 had het hof deze straf vervangen door een gevangenisstraf van 10 maanden, geheel voorwaardelijk. Uw Raad casseerde niet op de (enkele) grond dat het hof de grenzen gesteld aan herstelbeslissingen had overschreden, maar omdat het hof met zijn herstelbeslissing ‘ernstige twijfel (had) doen ontstaan omtrent de opgelegde vrijheidsstraf’. [4] Daarin vond Uw Raad ‘aanleiding de bestreden uitspraak ten aanzien van de strafoplegging te vernietigen’. De herstelbeslissing in de onderhavige zaak creëert geen onduidelijkheid omtrent in het aanvankelijke arrest genomen beslissingen; zij staat daarnaast.
NJ2013/143 m.nt. Reijntjes (onder
NJ2013/144) voorlag pas in de aanvulling op een voorwaardelijk getuigenverzoek beslist. Uw Raad overwoog dat een klacht ‘die ertoe strekt dat de enkele omstandigheid dat deze beslissing ten onrechte niet in het verkorte arrest, maar in de aanvulling is opgenomen, hoewel op zichzelf gegrond’, niet tot vernietiging van het bestreden arrest noopt. De verdachte heeft daarbij onvoldoende belang nu hij ‘de juistheid en begrijpelijkheid van de beslissing op het voorwaardelijk getuigenverzoek in volle omvang’ aan Uw Raad kan voorleggen. Die weg is ook hier in beginsel begaanbaar.