ECLI:NL:HR:2022:1041
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Belastbaarheid in Nederland van eenmalig tekengeld bij uitlening Belgische profvoetballer aan Nederlandse BV
Belanghebbende, een Belgische betaaldvoetbalorganisatie, leende een in België wonende profvoetballer uit aan een Nederlandse BV. De voetballer ontving voorafgaand aan de uitlening een eenmalig tekengeld van €350.000 netto, dat uiterlijk op 30 juli 2010 vorderbaar en inbaar werd. De Inspecteur legde een naheffingsaanslag loonheffingen op over het kalenderjaar 2010.
Het geschil betrof de vraag of Nederland bevoegd was loonbelasting te heffen over het eenmalige tekengeld dat vóór de uitlening was overeengekomen en in België was genoten. Het Hof oordeelde dat het tekengeld een beloning vormde voor werkzaamheden die de voetballer in Nederland zou verrichten en dat Nederland op grond van artikel 17 van Pro het belastingverdrag heffingsbevoegd was over 11/12de deel van het tekengeld.
De Hoge Raad bevestigde dit oordeel en verwierp het verweer dat het tekengeld niet aan Nederlandse werkzaamheden kon worden toegerekend omdat de uitleningsovereenkomst later was gesloten. Het hof had terecht geoordeeld dat het tekengeld loon vormt voor toekomstige werkzaamheden in Nederland en dat Nederland op grond van het belastingverdrag loonbelasting mag heffen. Het beroep in cassatie werd ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt ongegrond verklaard en Nederland mag loonbelasting heffen over het eenmalige tekengeld op grond van artikel 17 van het belastingverdrag.