Conclusie
1.Overzicht
Rechtbankachtte aannemelijk dat het eenmalige tekengeld tussen de belanghebbende en [A] is overeengekomen vóórdat vast kwam te staan dat de laatste aan [B] zou worden verhuurd. De toewijzing van loon uit dienstbetrekking in art. 15 Verdrag Pro staat dan in de weg aan Nederlandse heffing, aldus de Rechtbank.
Hofdaarentegen achtte niet art. 15, maar art. 17 (inkomsten van sporters en artiesten) Verdrag van toepassing. Hij achtte aannemelijk dat de tekengelden een beloning zijn voor werkzaamheden die de voetballer naar verwachting in de contractperiode zal verrichten (en dat het eenmalige tekengeld zag op het seizoen 2010/2011; zie r.o. 4.8, geciteerd in 2.10 hieronder) en dat op 30 juli 2010 al zo goed als zeker was dat [A] de rest van het seizoen zou worden verhuurd aan [B] . Alsdan wijst art. 17 het Pro heffingsrecht toe aan het land waar de sportprestaties worden verricht, i.e. Nederland.
vijf cassatiemiddelenvoor:
(i)Nederland kan naar nationaal recht niet heffen over het eenmalige tekengeld omdat het is genoten vóórdat [A] werd uitgeleend en hem is toegekend in het spelerscontract dat de dienstbetrekking in België regelt, die geen enkele band met Nederland heeft, terwijl de daadwerkelijke uitleen bij aparte en pas latere overeenkomst werd geregeld, die ook de speler moest ondertekenen, zodat het tekengeld uit de eerdere spelersovereenkomst geen verband houdt met die nieuwe overeenkomst en dus ook niet met de toekomstige sportprestaties in Nederland die daarin geregeld werden;
(ii)niet art. 17, maar art. 15 Verdrag Pro is van toepassing, nu het niet gaat om een kortstondig sportevenement en evenmin een ‘
direct link’ bestaat tussen het tekengeld en enig sportevenement; art. 15 wijst Pro in casu toe aan België;
(iii)onbegrijpelijk is ‘s Hofs uitleg van de contracten dat als een speler een spelerscontract ondertekent, hij tevens instemt met terbeschikkingstelling aan een andere BVO, nu uit de procestukken blijkt dat dat niet het geval is en dat het eenmalige tekengeld niet zag op terbeschikkingstelling aan een buitenlandse BVO;
(iv)het Hof heeft ten onrechte niet van belang geacht dat het naheffingstijdvak (2010) niet het gehele loontijdvak omvat waarop het tekengeld ziet (seizoen 2010/2011); dat naheffingstijdvak verhindert naheffing over het tekengeld voor zover het ziet op de periode na 31 december 2010;
(v)het Hof heeft de redelijke termijn van berechting overschreden; de daardoor ontstane immateriële schade moet worden vergoed.
verweerdat middel (i) een voldoende gemotiveerd bewijsoordeel en uitleg van contracten aanvalt, waarvoor in cassatie geen plaats is. Ad de middelen (ii) en (iii) meent hij dat art. 17 Verdrag Pro inkomsten uit persoonlijke werkzaamheden van een sporter toewijst aan de werkstaat ongeacht de duur en omvang van die werkzaamheden, zodat het Hof conform HR
BNB2007/142 die bepaling terecht heeft toegepast, ook al gaat het niet om een kortstondig sportevenement; de eis van een ‘
direct link’ziet zijns inziens alleen op sponsor- en reclame-inkomsten; voor zover feitelijk, acht hij ‘s Hofs oordeel niet onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd. Ad middel (iv) betoogt hij dat, nu het eenmalige tekengeld op 30 juli 2010 is genoten, zich toen het belastbare feit voordeed dat tot inhouding verplichtte. Die datum valt in het op de aanslag vermelde naheffingstijdvak (2010). Middel (v) faalt volgens de Staatssecretaris en de Raad voor de rechtspraak omdat de belanghebbende op 31 maart 2021 heeft afgezien van een (nieuwe) zitting en zij toen kon zien dat de tweejaarstermijn voor hoger beroep zou worden overschreden op 1 mei 2021 en ook dat als het Hof de wettelijke zes weken voor uitspraak zou nemen, die uitspraak pas op 12 mei 2021 zou worden gedaan, zodat zij uiterlijk bij het afzien van de tweede zitting, dus op 31 maart 2021, om schadevergoeding had moeten verzoeken.
incentivewordt gebruikt voor bereidheid tot uitlening, alsmede op de aannemelijkheid dat op 30 juli 2010 al zo goed als zeker was dat [A] uitgeleend zou worden aan [B] . Dat een arbeidsbeloning al vóór de overeengekomen arbeid wordt genoten, neemt het verband tussen beloning en arbeid niet weg; ook vooraf betaald loon is loon en uit HR
BNB1979/111 blijkt dat tekengeld als beloning voor (nog) te verrichten arbeid moet worden beschouwd. Het Hof heeft terecht geoordeeld dat het gegeven dat de beloning al op 30 juli 2010 werd genoten, tot inhoudingsplicht op die datum leidde. Mijns inziens strandt middel (i).
BNB2010/245. Ook de OESO-commentaren wijzen in een richting tegengesteld aan die van belanghebbendes betoog. Uit HR
BNB2007/142-144 volgt dat (ook) het salaris van een profvoetballer in dienstbetrekking onder art. 17 valt Pro voor zover het naar de bedoeling van de partijen bij de arbeidsovereenkomst een beloning is voor diens persoonlijke voetbalwerkzaamheden. Het Hof heeft zonder motiveringsgebrek uit de feiten, de combinatie van contracten en de verklaringen van de belanghebbende kunnen afleiden dat dat het geval is. Of al dan niet een ‘
direct link’bestaat tussen het tekengeld en de prestaties van de speler in Nederland, lijkt mij niet relevant, nu dat criterium ertoe dient om andere inkomsten dan die voor de sportieve of artistieke prestaties toe te delen, zoals royalties en ‘
advertising and sponsorship fees’. Die zijn niet aan de orde. Daarop stuit middel (ii) mijns inziens af.
BNB2016/140 had de belanghebbende dan uiterlijk bij het afzien van de nadere zitting (op 31 maart 2021) om schadevergoeding moeten vragen. Op dat moment was duidelijk dat als het Hof zes weken zou nemen, de tweejaarstermijn zou worden overschreden. Uit HR
BNB2013/154 blijkt dat het verzoek niet alsnog in cassatie gedaan kan worden.
2.De feiten en het geding in feitelijke instanties
De feiten
prime de signature complémentaire et unique”(het (eenmalige) tekengeld). Dat bedrag is – kennelijk met terugwerkende kracht – betaalbaar gesteld op 1 juli 2010.
BNB2007/242. [4] Ter zake van het eenmalige tekengeld daarentegen achtte de Rechtbank aannemelijk dat dat was overeengekomen vóórdat vaststond dat [A] aan [B] zou worden uitgeleend.
eenmaligetekengeld. De belanghebbende bestreed incidenteel ‘s Hofs oordeel dat de
periodiekbetaalde tekengelden in Nederland belastbaar zijn, primair stellende dat die tekengelden naar nationaal recht niet tot het loon behoren, subsidiair dat niet art. 17, maar art. 15 Verdrag Pro van toepassing is, en meer subsidiair dat ook als art. 17 Verdrag Pro van toepassing is, aan Nederland desondanks geen heffingsrecht toekomt.
NLF2021/1204) vreest dat deze uitspraak tot dubbele belastingheffing kan hebben geleid:
3.Het geding in cassatie
direct link’ tussen het tekengeld en de sportevenementen ontbreekt. De contractpartijen hebben het tekengeld niet bedoeld als vergoeding voor in de toekomst te verrichten persoonlijke sportprestaties voor de belanghebbende of een derde, maar als beloning voor het contracteren; belanghebbendes verplichting tot betaling van het tekengeld bestaat dan ook onafhankelijk van daadwerkelijke verrichting van een sportprestatie. De rechtsbasis voor [A] ’s sportprestaties voor [B] in Nederland is de combinatie van de tussen de belanghebbende en [A] gesloten terbeschikkingstellingsovereenkomst en de tussen de belanghebbende en [B] gesloten uitleenovereenkomst, die geen van beide tekengeld toekennen aan [A] . Daarom is geen sprake van een
direct linktussen het tekengeld en de sportprestaties van [A] in Nederland.
verweer van de Staatssecretarishoudt
ad (i)in dat dit middel zijns inziens tegen een bewijsoordeel opkomt dat is voorbehouden aan de feitenrechter en geenszins onbegrijpelijk is.
Ad (ii) en (iii)merkt hij op dat art. 17 Verdrag Pro aan de werkstaat de inkomsten toewijst die een inwoner van de ene verdragsluitende Staat verkrijgt uit persoonlijke werkzaamheden als artiest of sportbeoefenaar in de andere verdragsluitende Staat, ongeacht de duur en de omvang van die werkzaamheden, hetgeen zijns inziens is bevestigd in HR
BNB2010/245. [7] Hij acht ‘s Hofs oordeel voor het overige niet onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd.
Ad (iv)betoogt de Staatssecretaris dat, nu niet (meer) in geschil is dat [A] het eenmalige tekengeld op 30 juli 2010 genoot, zich op die dag het belastbare feit voor de loonbelasting voordeed dat tot verschuldigdheid van en inhoudingplicht ter zake van die loonbelasting leidde. Hij acht juist ‘s Hofs oordeel dat de belasting terecht is begrepen in een naheffings-aanslag over een tijdvak waarin 30 juli 2010 valt.
Ad (v)merkt de Staatssecretaris op dat de belanghebbende bij brief van 31 maart 2021 heeft afgezien van haar recht om op een nadere zitting gehoord te worden. Zij kon toen voorzien dat de redelijke termijn zou zijn overschreden bij een Hofuitspraak zes weken later, zodat zij haar verzoek om schadevergoeding uiterlijk voor ‘s Hofs sluiting van het onderzoek had moeten doen.
de Raad voor de rechtspraakheeft zich verweerd tegen middel (v). Hij merkt op dat de belanghebbende in hoger beroep niet heeft verzocht om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn en dat het Hof daarom geen vergoeding heeft toegekend. De RvdR acht dit oordeel juist, nu de redelijkheid van de termijn door de bestuursrechter in beginsel niet ambtshalve wordt beoordeeld. De redelijke termijn (1 mei 2019 tot uiterlijk 1 mei 2021) zou binnen de termijn van zes weken na sluiting van het onderzoek al verlopen als 31 maart 2021, de datum waarop de belanghebbende afzag van een nieuwe mondelinge behandeling, als de datum van sluiting van het onderzoek wordt beschouwd.
repliekbetoogt de belanghebbende dat niet in geschil is dat het eenmalige tekengeld op 30 juli 2010 is genoten en dat [A] in België woont, zodat het tekengeld in België is genoten. De Staatssecretaris creëert belastingheffing over de toekomst. Op 30 juli 2010 stond geenszins vast dat [A] ooit in Nederland zou gaan werken. De Nederlandse wet biedt geen rechtsbasis voor Nederlandse heffing, ook art. 7.2(2)(b) Wet IB 2001 niet, dat ziet op beloningen voor tegenwoordige arbeid en voor reeds verrichte arbeid. Die bepaling ziet niet op een al genoten beloning die wordt toegerekend aan in de toekomst nog te verrichten arbeid. Ook al zou Nederland heffingsrecht toekomen, dan nog moet de naheffingsaanslag worden verminderd omdat slechts 5/12 deel van het tekengeld toegerekend kan worden aan het naheffingstijdvak (2010), dat immers niet omvat de periode na 31 december 2010. Op 31 maart 2021 was voor de belanghebbende niet voorzienbaar dat het Hof niet uiterlijk op 15 mei 2021 haar definitieve oordeel op papier zou kunnen zetten. Op 11 januari 2021 had het Hof haar voorlopige oordelen al volledig uitgeschreven. De belanghebbende kon daarom haar verzoek om vergoeding van immateriële schade (pas) in de motivering van het cassatieberoep doen.
4.De Nederlandse heffingsbevoegdheid naar nationaal recht (middel (i))
BNB1961/366 [9] ging over een voetballer die bij zijn overstap naar een andere club van beide clubs een “transfersom” ontving. U overwoog over het karakter daarvan:
BNB1996/260 [10] betrof een bij de KNVB aangesloten BVO die een in Engeland wonende speler had gecontracteerd. De belanghebbende had de speler kort voor diens komst naar Nederland eenmalig tekengeld uitbetaald waarop zij geen loonbelasting had ingehouden. Het Hof achtte aannemelijk dat de betaling verschuldigd was ter zake van de in Nederland te vervullen dienstbetrekking. De speler was te beschouwen als werknemer in de zin van art. 2(3)(a) Wet LB en de in die bepaling gebezigde tegenwoordige tijd deed daaraan volgens het Hof niet af. U overwoog op het cassatieberoep daartegen van de belanghebbende:
BNB2007/242 [11] was de belanghebbende een stichting behorende bij een club in het betaald voetbal. Bij de transfer van aangetrokken spelers bevatte het spelerscontract geen tekengeldclausule, maar volgens de Inspecteur was een deel van de transfersom via omwegen aan de spelers ten goede gekomen. De Inspecteur had daarom dat deel van de transfersom als loon aangemerkt en daarover nageheven en het Hof had hem gelijk gegeven. U liet dat oordeel in stand:
nuis immers
nualweer voorbij en de belanghebbende zal denkelijk niet willen betogen dat een maandsalaris dat op de 24ste betaald wordt, niet onder art. 7.2(2) Wet IB valt voor wat betreft het deel dat ziet op de laatste zes of zeven dagen van die maand.
incentivewordt gebruikt voor bereidheid tot uitlening, en op de aannemelijkheid dat op 30 juli al zo goed als zeker was, gezien met name de verlengde proef-trainingsstage bij [B] , dat [A] uitgeleend zou worden aan [B] . Dat een overeengekomen arbeidsbeloning vóór aanvang van de overeengekomen arbeidsperiode wordt genoten, neemt niet weg dat die beloning op die arbeid ziet. Ook vooraf betaald loon is loon en uit de boven in 4.4 geciteerde rechtspraak blijkt dat u tekengeld beschouwt als beloning voor (nog) te verrichten arbeid. Dat de belanghebbende de combinatie van contracten en de feiten anders uitgelegd wil zien, laat zich horen, maar kan tot cassatie leiden. Dat de beloning al in juli 2010 werd genoten, leidde er wel toe, zoals het Hof terecht oordeelde, dat op dat moment ook belanghebbendes inhoudingsplicht ontstond. Daarop stuit mijns inziens middel (i) onderdeel (a) af.
Het belastingverdrag Nederland-België en het OESO-Model-commentaar (middel (ii))
BNB2017/188 [16] mee dat het OESO-commentaar ten tijde van het sluiten van dat Verdrag ‘van grote betekenis’ is bij de interpretatie ervan. Het OESO-commentaar 2010 verklaart dat art. 17(1) OESO-Model ertoe dient om sporters- en artiestenbeloningen uit te zonderen van de 183-dagen woonstaatregel van art. 15 OESO Pro-Model voor inkomsten uit arbeid, ter voorkoming van problemen bij de belastingheffing van internationale sporters en artiesten. Het OESO Model commentaar 2010 bij art. 17 Verdrag Pro luidde als volgt:
working papersbij de
draftOECD Model commentaren 2014 en 2017:
employmentplaatsvindt op de plek ‘where the employee is physically present when performing the activities for which the employment remuneration is paid’, ook ‘during a period of time’, bijvoorbeeld ‘annual salary’, te bepalen ‘on the basis of the working days spent in each State’:
BNB2007/142 [21] betrof een in Nederland wonende profwielrenner in dienstbetrekking bij A BV. Het loon bestond uit een basissalaris en start- en prijzengelden. De belanghebbende koerste in onder meer België, Ierland en Spanje. In geschil was de toepassing van het artiesten- en sportersartikel in de verdragen met die landen. U overwoog:
BNB2007/143 [22] (over een beroepsvoetballer in dienstbetrekking) en HR
BNB2007/144 [23] (over een beroepsschaatser in dienstbetrekking) oordeelde u in gelijke zin. Kavelaars annoteerde in
BNB2007/144 de drie gelijkluidende arresten als volgt:
BNB2010/245 [24] betrof een beroepsvoetballer die een overeenkomst had gesloten met een Zweedse voetbalclub om voor die club uit te komen. Het contract bepaalde dat als hij tijdens de contractperiode zou worden getransfereerd naar een buitenlandse club, hem een deel van de transfersom zou toekomen. De belanghebbende werd lopende het seizoen door een Nederlandse voetbalvereniging gecontracteerd en hij ontving volgens contract een deel van de transfersom. De vraag was waar dat deel belast was, met name of art. 17 van Pro het OESO-Modelconforme art. 17 van Pro het belastingverdrag Nederland-Zweden erop van toepassing was. Het Hof had geoordeeld van niet omdat die bepaling alleen zou zien op optredens van korte duur. Op het cassatieberoep van de Staatssecretaris daartegen overwoog u als volgt:
WFR2014/1308 [25] het OESO-Modelsysteem van toewijzing van inkomsten van sporters en artiesten als volgt samengevat:
BNB2010/245. Ook de geciteerde OESO-commentaren wijzen in een richting tegengesteld aan die van het betoog van de belanghebbende.
direct link’bestaat tussen het tekengeld en [A] ’s prestaties voor [B] in Nederland in de zin van het OESO-commentaar, lijkt mij niet relevant, nu dat criterium er in dat commentaar toe dient om andere inkomsten dan die voor de eigenlijke sportieve of artistieke prestaties toe te delen, zoals met name ‘royalties for intellectual property rights’ en ‘advertising and sponsorship fees’. Dergelijk niet-sportieve inkomsten vallen alleen onder art. 17 als Pro zij gekoppeld kunnen worden aan ‘performances or appearances in a given State.’ Dat probleem is in casu niet aan de orde.
BNB2007/142-144 volgt dat (ook) het salaris van een profvoetballer in dienstbetrekking onder art. 17 valt Pro voor zover het naar de bedoeling van de partijen bij de arbeidsovereenkomst een beloning is voor diens persoonlijke voetbalwerkzaamheden. Zoals boven (4.12, 4.14 en 4.16) al bleek, heeft het Hof zonder motiveringsgebrek uit de feiten, de combinatie van contracten en de verklaringen van de belanghebbende kunnen afleiden dat dat het geval is.
6.Civielrechtelijke duiding van de overeenkomsten (middel (iii))
incentiveom in te stemmen met uitleen) dat op 30 juli 2010 al zo goed als zeker was dat [A] uitgeleend zou worden aan [B] . Zoals boven betoogd, lijkt mij dat feitelijke oordeel voldoende gemotiveerd.
7.Het naheffingstijdvak 2010 (middel (iv))
BNB1979/111 [26] betrof een voetbalvereniging van wie loonbelasting was nageheven ter zake van hand- en tekengelden betaald aan spelers. Het aanslagbiljet vermeldde als tijdvak: 1 januari 1970 t/m 31 december 1973. Volgens de belanghebbende had een deel van het nageheven bedrag echter betrekking op in juli 1974 betaalde hand- en tekengelden. Het Hof achtte een onjuistheid in de vermelding van het tijdvak niet van belang, maar u oordeelde anders. U overwoog:
squarein het naheffingstijdvak 2010 vallen. Ook de zaak HR
BNB1995/99 [27] lijkt mij niet relevant omdat ook in die zaak ging om een naheffingsaanslag ter zake van feiten die buiten het naheffingstijdvak.
BNB2006/223 [28] betrof een aanslagbiljet dat geen aanduiding van een tijdvak of van een belastbaar feit bevatte. Ook dan ontbeert de naheffingsaanslag essentiële elementen en kan hij niet in stand blijven, maar ook dat arrest lijkt mij in casu niet relevant.
8.Immateriële schadevergoeding wegens termijnoverschrijding? (middel (v))
copy/pasteten opzichte van het voorlopige oordeel.
BNB2016/140 [29] is een regelarrest over immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn van berechting. U regelde onder meer:
BNB2013/154 [30] had de belanghebbende bij het Hof niet verzocht om vergoeding van immateriële schade wegens termijnoverschrijding. U oordeelde dat een verzoek dan niet voor het eerst in cassatie kan worden gedaan:
BNB2016/140 had de belanghebbende dan uiterlijk op de zitting (dat betekent in casu: uiterlijk vlak vóór het sluiten van het onderzoek, dus bij het afzien van de nadere zitting op 31 maart 2021) om schadevergoeding moeten vragen. Op dat moment was immers duidelijk dat als het Hof zes weken over zijn uitspraak zou gaan doen, de tweejaarstermijn met een kleine twee weken (1 t/m 12 mei) zou worden overschreden. De belanghebbende had uiterlijk op 31 maart 2021 een verzoek moeten doen. Alleen als de tweejaarstermijn pas zou zijn verstreken ná de genoemde zesweekentermijn, i.e. ná 12 mei 2012, had het Hof de redelijkheid van de termijn van berechting van ambtswege moeten beoordelen. Uit HR
BNB2013/154 blijkt dat het verzoek niet alsnog in cassatie gedaan kan worden.