In deze zaak staat de verdeling van de ontbonden huwelijksgemeenschap centraal, waarbij de pensioenaanspraken van de man als directeur-grootaandeelhouder in eigen beheer bij [de BV] B.V. worden betrokken. Het hof benoemde een deskundige om de omvang van de pensioenaanspraak per peildatum 29 maart 2013, het aandeel van de vrouw daarin, het benodigde bedrag voor afstorting en de liquidatiewaarde van de vennootschap te bepalen.
De man stelde dat het bedrag voor afstorting niet per de peildatum, maar per heden moet worden bepaald, verwijzend naar een arrest van de Hoge Raad uit 2017. De deskundige en het hof onderzochten deze vraag en benadrukten dat de commerciële waarde van de pensioenrechten per datum van echtscheiding (3 november 2014) moet worden vastgesteld, waarbij rekening moet worden gehouden met het aanwezige kapitaal in de vennootschap om zowel de afstorting als de resterende pensioenaanspraken te dekken.
Het hof wees ook op de noodzaak van een zorgvuldige waardering van de aandelen, waarbij de waardedaling door de externe afstorting van pensioenrechten in mindering moet worden gebracht. Partijen kregen de gelegenheid om zich uit te laten over aanvullende vragen aan de deskundige. Het hof verwierp een laat ingediend rapport van een accountantskantoor als niet tijdig.
De beschikking benadrukt de toepassing van de Wet Verevening Pensioenrechten na echtscheiding en de jurisprudentie van de Hoge Raad, waarbij het belang van gelijke pensioenrechten en de afstortingsplicht van de DGA centraal staan. De zaak wordt aangehouden voor verdere beslissingen na ontvangst van reacties van partijen.