ECLI:NL:HR:2022:1087
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt bewijslastverdeling bij extra bpm-vermindering na tenaamstelling
Belanghebbende, een B.V., had bpm betaald op aangifte voor twee gebruikte personenauto’s uit andere lidstaten, waarbij zij zichzelf als aanvrager en toekomstig houder vermeldde. Het geschil betrof de vraag of zij recht had op een extra vermindering van bpm vanwege het verstrijken van de periode tussen betaling en tenaamstelling in het kentekenregister.
Het Hof oordeelde dat de bewijslast voor het aantonen van een lagere bpm bij tenaamstelling bij de belastingplichtige ligt. Gegevens uit het kentekenregister, beheerd door een andere overheidsdienst, behoren niet tot de zaakstukken tenzij door de inspecteur verwerkt. De inspecteur beschikte niet over de tenaamstellingsdata en hoefde deze niet uit eigen beweging op te vragen.
De Hoge Raad bevestigde dat het niet in strijd is met het Unierecht dat bpm voorafgaand aan het belastbare feit wordt geheven en dat de belastingplichtige verantwoordelijk is voor het stellen en aannemelijk maken van feiten die een lagere bpm rechtvaardigen. Het beroep in cassatie werd ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt ongegrond verklaard en het arrest van het Hof bevestigd.