ECLI:NL:HR:2022:1160

Hoge Raad

Datum uitspraak
9 september 2022
Publicatiedatum
8 september 2022
Zaaknummer
21/02902
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 Wet op de rechterlijke organisatie
Verwijzingen
4 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging naheffingsaanslag motorrijtuigenbelasting na cassatie

Belanghebbende is geconfronteerd met een naheffingsaanslag motorrijtuigenbelasting die door de Belastingdienst is opgelegd. Na eerdere procedures bij lagere gerechten, waarbij het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden een uitspraak deed, heeft belanghebbende beroep in cassatie ingesteld tegen het hofarrest. De Hoge Raad heeft de ingediende klachten van belanghebbende beoordeeld, maar deze bleken onvoldoende om het hofarrest te vernietigen.

De Hoge Raad heeft daarbij geen inhoudelijke motivering gegeven omdat de klachten niet relevant waren voor de eenheid of ontwikkeling van het recht, conform artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie. Tevens heeft de Hoge Raad geen aanleiding gezien om proceskosten toe te wijzen. Het arrest van het hof blijft daarmee in stand en het beroep in cassatie wordt ongegrond verklaard.

Deze uitspraak bevestigt de rechtsgeldigheid van de naheffingsaanslag en onderstreept het belang van de cassatieprocedure als toetsing aan het recht, waarbij niet elke klacht aanleiding geeft tot vernietiging. De zaak illustreert de toepassing van artikel 81 RO Pro in belastingrechtelijke geschillen.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt ongegrond verklaard en het hofarrest bevestigd.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer21/02902
Datum9 september 2022
ARREST
in de zaak van
[X] te [Z] (hierna: belanghebbende)
tegen
de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 8 juni 2021, nr. 20/00716 [1] , betreffende een aan belanghebbende opgelegde naheffingsaanslag in de motorrijtuigenbelasting.

1.Het eerste geding in cassatie

Bij arrest van de Hoge Raad van 29 mei 2020, ECLI:NL:HR:2020:991, is vernietigd de uitspraak van het Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch, nr. 17/00649 [2] , met verwijzing van het geding naar het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (hierna: het Hof) ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dat arrest.

2.Het tweede geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld en daarbij een aantal klachten aangevoerd.
De Staatssecretaris, vertegenwoordigd door [P] , heeft een verweerschrift ingediend.

3.Beoordeling van de klachten

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het Hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie).

4.Proceskosten

De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

5.Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.E. van Hilten als voorzitter, en de raadsheren E.N. Punt en J.A.R. van Eijsden, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 9 september 2022.