Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
3.Beoordeling van het cassatiemiddel
4.Beslissing
13 september 2022.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag inzake bedreiging en het dragen van een opvouwbaar mes. Het hof heeft het dragen van het mes als overtreding aangemerkt en toepassing gegeven aan artikel 9a Sr, waardoor geen straf werd opgelegd.
De Hoge Raad beoordeelt eerst de ontvankelijkheid en stelt vast dat tegen het deel van het arrest dat betrekking heeft op de overtreding geen cassatieberoep openstaat op grond van artikel 427 lid 2 sub a Sv Pro. Dit leidt tot niet-ontvankelijkheid van het beroep voor dat deel.
Vervolgens beoordeelt de Hoge Raad de overige klachten en verwerpt deze zonder nadere motivering, omdat beantwoording niet noodzakelijk is voor de rechtsontwikkeling of eenheid van het recht.
De Hoge Raad verklaart het beroep niet-ontvankelijk voor het deel over het dragen van het mes en verwerpt het beroep voor het overige, waarmee het arrest van het hof in stand blijft.
Uitkomst: Het cassatieberoep is niet-ontvankelijk verklaard voor het deel over het dragen van het mes en voor het overige verworpen.