Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het cassatiemiddel
3.Beslissing
20 september 2022.
Hoge Raad
Op 6 augustus 2018 pleegden verdachte en drie mededaders een diefstal in een woning tijdens de nacht, waarbij bedreiging met geweld werd gebruikt tegen de bewoonster. Verdachte was bestuurder van de auto en gaf de locatie aan, maar was zelf niet in de woning aanwezig. Het hof verklaarde medeplegen bewezen en oordeelde dat verdachte opzet had op de bedreiging met geweld, onder meer vanwege het feit dat de woning bewoond was en de mededaders gezichtsbedekking droegen.
De Hoge Raad oordeelt dat het hof onvoldoende heeft gemotiveerd dat verdachte opzet had op de bedreiging met geweld. Er was geen bewijs dat verdachte afspraken had gemaakt over het gebruik van geweld of zich bewust was van de mogelijkheid daarvan. Het enkele feit dat de woning bewoond was en dat mededaders gezichtsbedekking droegen, is onvoldoende om het vereiste opzet aan te nemen.
De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof en wijst de zaak terug naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden voor een nieuwe berechting en beslissing. De zaak betreft medeplegen van diefstal met bedreiging met geweld in een woning tijdens de nacht, waarbij de motivering van het hof over het opzet van verdachte op de bedreiging met geweld centraal stond.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde berechting.