ECLI:NL:HR:2022:129

Hoge Raad

Datum uitspraak
4 februari 2022
Publicatiedatum
3 februari 2022
Zaaknummer
19/05156
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:41 AwbArt. 11, lid 3, AWRArt. 8 Invorderingswet 1990Art. 8:112, lid 2, Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt ongegrondverklaring beroep in cassatie inzake niet tijdige ontvangst aanslagbiljet

Belanghebbende stelde beroep in cassatie in tegen een uitspraak van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch over een voor het jaar 1998 opgelegde aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen. De kern van het geschil betrof de niet tijdige ontvangst van een aangetekend verzonden aanslagbiljet, waarbij belanghebbende stelde dat dit niet aan hem was ontvangen.

De Hoge Raad overwoog dat de niet tijdige ontvangst van het aanslagbiljet niet te wijten was aan de Belastingdienst, ondanks dat eerder een retourontvangen postzending was geweest. Het incidentele beroep van de Staatssecretaris werd verworpen omdat het alleen ingesteld was voor het geval het principale beroep zou slagen, wat niet het geval was.

De Hoge Raad volgde de motivering zoals vermeld in een gelijktijdig arrest (ECLI:NL:HR:2022:45) en verklaarde het beroep in cassatie ongegrond. Er werd geen veroordeling in proceskosten opgelegd.

Uitkomst: Het beroep in cassatie van belanghebbende wordt ongegrond verklaard wegens niet aan de Belastingdienst te wijten niet tijdige ontvangst van het aanslagbiljet.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer19/05156
Datum4 februari 2022
ARREST
in de zaak van
[X] , domicilie gekozen hebbend te [Z] (hierna: belanghebbende)
en
de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch van 3 oktober 2019, nr. 15/01153 [1] , op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant (nrs. AWB 13/2905 en AWB 13/2909), betreffende de aan belanghebbende voor het jaar 1998 opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen en de daarbij gegeven beschikking inzake heffingsrente.

1.Geding in cassatie

Belanghebbende, vertegenwoordigd door F.A. Piek, heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld.
De Staatssecretaris, vertegenwoordigd door [P] , heeft een verweerschrift ingediend. Hij heeft ook voorwaardelijk incidenteel beroep in cassatie ingesteld.
Het beroepschrift in cassatie en het geschrift waarbij incidenteel beroep in cassatie is ingesteld, zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit.
Belanghebbende heeft schriftelijk zijn zienswijze over het incidentele beroep naar voren gebracht. Hij heeft voorts in het principale beroep een conclusie van repliek ingediend.
De Advocaat-Generaal R.L.H. IJzerman heeft op 28 september 2020 geconcludeerd tot gegrondverklaring van het beroep in cassatie en ongegrondverklaring van het incidentele beroep in cassatie. [2]
De Staatssecretaris heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.

2.Beoordeling van de in het principale beroep voorgestelde middelen

De middelen falen op de gronden die zijn vermeld in het arrest dat de Hoge Raad vandaag heeft uitgesproken in de zaak met nummer 19/05155, ECLI:NL:HR:2022:45, tussen dezelfde partijen.
3. Beoordeling van de in het voorwaardelijk incidentele beroep voorgestelde middelen
Aangezien het incidentele beroep alleen is ingesteld voor het geval het principale beroep zou slagen, maar dit geval zich niet voordoet, vervalt het beroep gelet op artikel 8:112, lid 2, Awb.

4.Proceskosten

De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

5.Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.E. van Hilten als voorzitter, en de raadsheren E.N. Punt, M.W.C. Feteris, M.A. Fierstra en J.A.R. van Eijsden, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 4 februari 2022.