Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het eerste en het tweede cassatiemiddel
3.Beslissing
27 september 2022.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag waarin verdachte werd veroordeeld voor medeplegen van invoer van grote hoeveelheden cocaïne en voorbereidingshandelingen daartoe. Het hof stelde vast dat de redelijke termijn in hoger beroep was overschreden en legde een gevangenisstraf van zeven jaar en zeven maanden op.
De Hoge Raad oordeelt dat het hof ten onrechte als uitgangspunt nam dat de redelijke termijn twee jaar bedroeg zonder rekening te houden met de voorlopige hechtenis van verdachte, die meer dan twee jaar duurde. Volgens vaste jurisprudentie geldt bij voorlopige hechtenis een termijn van zestien maanden voor de redelijke termijn in hoger beroep.
De Hoge Raad vernietigt daarom het arrest van het hof voor wat betreft de strafduur en vermindert de gevangenisstraf met drie maanden tot zeven jaar en vier maanden. De overige klachten worden verworpen. De beslissing houdt rekening met de omvang en complexiteit van de zaak, de coronamaatregelen en de voorlopige hechtenis.
Uitkomst: De gevangenisstraf wordt verminderd tot zeven jaar en vier maanden wegens overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep.