Conclusie
1.Het cassatieberoep
2.Waar het in deze zaak om gaat
3.Het eerste middel
tevensdermate evident is dat sprake is van een onjuiste voorstelling van zaken dat moet worden aangenomen dat de in het algemeen in het maatschappelijk verkeer vereiste omzichtigheid de ander aanleiding had moeten geven die onjuiste voorstelling van zaken te onderkennen of zich daardoor niet te laten bedriegen. In een arrest van 21 november 2017 heeft de Hoge Raad ook geoordeeld dat de enkele omstandigheid dat nader onderzoek ertoe had kunnen leiden dat een onjuiste voorstelling van zaken zou worden doorzien, niet meebrengt dat een beoogd slachtoffer die onjuiste voorstelling van zaken ook zonder nader onderzoek had moeten doorzien. [3] Het uitgangspunt lijkt te moeten blijven - mijns inziens terecht - dat sprake is van strafbare oplichting als iemand onder invloed van de specifieke in art. 326 lid 1 Sr Pro omschreven vormen van bedrog (de valse naam, valse hoedanigheid, listige kunstgrepen of een samenweefsel van verdichtsels) ertoe wordt gebracht een goed af te geven, een dienst te verlenen etc. Alleen in evidente gevallen waarin argwaan of ongeloof direct de overhand had moeten nemen, komt de vraag aan de orde of is voldaan aan het bestanddeel dat het slachtoffer door de verdachte is “bewogen” tot de afgifte van goederen, of dat dit (uitlsuitend) aan de onvoorzichtigheid of naïviteit van het slachtoffer kan worden geweten. [4]
4.Het tweede middel
ii.) een vergoeding voor het werk dat de verdachte voor die optredens heeft verricht, en
iii.) de kosten die hij voor (de promotie van) die optredens heeft gemaakt.
saldovan de betalingen en ontvangsten tussen de benadeelde partij en [B] . Tegen die achtergrond, is niet onbegrijpelijk dat het hof de enkele, niet onderbouwde stelling in het pleidooi dat [B] een bedrag van € 351.923,50 heeft overgemaakt naar de benadeelde partij niet heeft aangemerkt als een voldoende betwisting. Als door de verdediging al een ander bedrag zou zijn bedoeld dan het bedrag dat reeds is verrekend in de vordering van de benadeelde partij, dan kon het hof oordelen, zoals het kennelijk heeft gedaan, dat ook dit punt zonder enige onderbouwing niet een gemotiveerde betwisting van de vordering oplevert.
5.Het derde middel
ruimschootswas overschreden toen de verdachte 22 maanden na het instellen van hoger beroep in vrijheid werd gesteld. Dat die 22 maanden in dit geval enigszins beperkt zijn ten opzichte van de totale duur van het hoger beroep, maakt dat na een ‘voltooide’ overschrijding van de 16-maandentermijn mijns inziens niet anders, te minder nu met betrekking tot die duur uit de overwegingen van het hof niet volgt dat handelen van de verdediging of de complexiteit van de zaak invloed heeft gehad op de termijn die in deze zaak als redelijk was aan te merken. Met andere woorden: uit de overwegingen van het hof volgt niet dat de zaak niet binnen de eerste zestien maanden behandeld had moeten kunnen worden. Gelet hierop meen ik dat de beslissing van het hof dat in deze zaak de tweejaarstermijn als uitgangspunt kon worden genomen niet begrijpelijk is.