ECLI:NL:HR:2022:133
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad verklaart beroep in cassatie ongegrond in belastingzaak over aanslag 1999
Belanghebbende heeft beroep in cassatie ingesteld tegen het arrest van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch van 3 oktober 2019, waarin het hof het hoger beroep van belanghebbende tegen uitspraken van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant inzake de aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen over het jaar 1999 en de beschikking over heffingsrente heeft behandeld.
De Hoge Raad heeft de ingediende middelen van belanghebbende beoordeeld en geoordeeld dat deze niet tot vernietiging van het hofarrest kunnen leiden. De Hoge Raad achtte het niet noodzakelijk om de motivering van dit oordeel te geven, omdat de beoordeling geen vragen van belang voor de eenheid of ontwikkeling van het recht betreft, conform artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie.
Verder heeft de Hoge Raad geen aanleiding gezien om proceskosten toe te wijzen en verklaart het beroep in cassatie ongegrond. Het arrest is uitgesproken door de vice-president als voorzitter en twee raadsheren, in aanwezigheid van de waarnemend griffier, op 4 februari 2022.
Uitkomst: Het beroep in cassatie van belanghebbende wordt ongegrond verklaard.