ECLI:NL:HR:2022:1377
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt aftrek periodieke gift ondanks lage sterftekans bij meerlevensvoorwaarde
Belanghebbende, voorzitter van een stichting die een ANBI-status heeft, deed met zijn echtgenote periodieke schenkingen van €50.000 per jaar voor vijf jaar, onder de voorwaarde dat de schenking vervalt bij overlijden van de langstlevende schenker en bij verlies van ANBI-status. De Inspecteur weigerde de aftrek als periodieke gift voor het jaar 2012 omdat de gecombineerde sterftekans van belanghebbende en zijn echtgenote slechts 0,03% bedroeg, wat volgens het hof niet voldeed aan de eis van wezenlijke materiële onzekerheid (ongeveer 1%).
Het hof oordeelde dat de kans op verlies van ANBI-status niet mee mocht worden genomen en verwierp het beroep op het gelijkheids- en vertrouwensbeginsel. De Hoge Raad stelde echter vast dat artikel 6.38 Wet IB 2001 voorschrijft dat bij een notariële akte met een looptijd van vijf jaar of meer de eis van wezenlijke materiële onzekerheid wordt geacht vervuld te zijn, ongeacht de feitelijke sterftekans. Ook staat de wet niet toe dat alleen giften afhankelijk van één leven aftrekbaar zijn.
De Hoge Raad verklaarde het cassatieberoep gegrond, vernietigde het arrest van het hof en bevestigde de uitspraak van de rechtbank die de aftrek van de periodieke gift toestond. De Staatssecretaris werd veroordeeld in de proceskosten van belanghebbende.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat de periodieke gift aftrekbaar is ondanks de lage sterftekans bij uitkeringen afhankelijk van twee levens.