Conclusie
1.Procesverloop
2.De feiten en het geding in feitelijke instanties
De feiten
3.Het geding in cassatie
Het middel bestrijdt allereerst het oordeel van het Hof aan de hand van de wetsgeschiedenis behorende bij art. 47 Wet Pro IB 1964 (oud), dat vereist is dat een wezenlijke onzekerheid bestaat gedurende de looptijd, waarbij de onzekerheid circa 1% dient te zijn. Dit oordeel is onbegrijpelijk aangezien de tekst van de wet duidelijk is en juist geschreven is om geschillen over het al dan niet aanwezig zijn van een wezenlijke onzekerheid te voorkomen.
Het middel bestrijdt daarnaast de uitleg door het Hof dat bij een schenking die afhankelijk is van één leven, in de regel zou zijn voldaan aan het vereiste van een materiële onzekerheid. Dat is onjuist aangezien ook bij een periodieke gift die afhankelijk is van het leven van één persoon van bijvoorbeeld 30 jaar oud, vaststaat dat de actuariële kans van overlijden gedurende de vijfjarige looptijd minder dan 1% bedraagt.
De wetsgeschiedenis kan gebruikt worden om de bedoeling van de wetgever te duiden bij een onduidelijke wettekst. Het is onjuist om een duidelijke wettekst (nader) te duiden door middel van een ‘kennelijke’ bedoeling die in de wetsgeschiedenis gelezen zou kunnen worden. Mitsdien is dit oordeel van het Hof in strijd met het recht, althans onbegrijpelijk en onvoldoende naar de eisen van de wet met redenen omkleed.
De kans dat de ANBI-status wordt ingetrokken is, naast de sterftekans van belanghebbende en zijn echtgenote - aldus nog steeds belanghebbende - een toekomstige onzekere gebeurtenis, die meegewogen dient te worden om vast te stellen of de onzekerheid groter is dan ongeveer 1%. Het Hof is van oordeel dat de wettekst niet uitsluit dat de onzekere factor mede kan bestaan uit een andere factor dan een overlijdensrisico. De kans op het verlies van de ANBI-status kan volgens het Hof niet in aanmerking worden genomen bij de bepaling van de omvang van de onzekerheid, omdat het risico van het statusverlies onvoldoende buiten de sfeer van belanghebbende verkeert en daarnaast onvoldoende kwantificeerbaar is. Dit oordeel is onbegrijpelijk, althans onvoldoende gemotiveerd. Belanghebbende is weliswaar voorzitter van de stichting, maar heeft geen invloed op de veranderende wettelijke eisen die worden gesteld aan een stichting om de ANBI-status te behouden. Hij kan als onderdeel van het driekoppige bestuur wel deelnemen aan de besluitvorming om aan de veranderende eisen te gaan of blijven voldoen. Belanghebbende heeft daarbij geen doorslaggevende stem. Het risico op verlies van de ANBI-status zou derhalve meegewogen moeten worden. Doordat het Hof niet heeft gemotiveerd op welke gronden het verlies van de ANBI-status zich onvoldoende buiten de invloedsfeer van de belanghebbende bevindt, is sprake van een verzuim van vormen en kan het oordeel niet in stand blijven.
4.Wettelijk kader, wetsgeschiedenis, jurisprudentie en literatuur
Wettekst en wetsgeschiedenis
WFR1985/51 heb ik over het in art. 47 Wet Pro IB 1964 (oud) in 1984 opgenomen vereiste van een minimumtermijn van vijf of meer jaren het volgende geschreven: [23]