Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het cassatiemiddel
3.Beslissing
11 oktober 2022.
Hoge Raad
De verdachte werd ten laste gelegd dat hij op 1 augustus 2013 te Breda opzettelijk niet had voldaan aan een bevel of vordering van de burgemeester, krachtens artikel 2.3.13 van de APV Breda 2004, om zich te verwijderen en verwijderd te houden uit een specifiek gebied (het VAST gebied).
De Hoge Raad beoordeelde of het bevel of de vordering van de burgemeester was gedaan krachtens een wettelijk voorschrift zoals bedoeld in artikel 184 Sr Pro, dat vereist dat het wettelijk voorschrift uitdrukkelijk de bevoegdheid tot het geven van een bevel of vordering aan de ambtenaar verleent.
De Hoge Raad concludeerde dat artikel 2.3.13 APV Breda 2004 niet uitdrukkelijk inhoudt dat de burgemeester gerechtigd is tot het geven van een dergelijk bevel of vordering. Hierdoor ontbrak de noodzakelijke wettelijke basis voor het bevel waarop de tenlastelegging was gebaseerd.
Daarom werd het arrest van het hof vernietigd en de zaak terugverwezen naar het gerechtshof ’s-Hertogenbosch voor een nieuwe berechting en beslissing, waarmee het eerdere oordeel niet in stand kon blijven.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde berechting.