ECLI:NL:HR:2008:BB4108
Hoge Raad
- Cassatie
- F.H. Koster
- B.C. de Savornin Lohman
- J. de Hullu
- W.M.E. Thomassen
- H.A.G. Splinter-van Kan
- Rechtspraak.nl
Vernietiging veroordeling wegens onjuiste toepassing wettelijk voorschrift Politiewet 1993
De zaak betreft een verdachte die op 23 mei 2004 werd veroordeeld voor het opzettelijk niet voldoen aan een vordering van een politieambtenaar, gebaseerd op artikel 2 van Pro de Politiewet 1993. Het hof had geoordeeld dat deze vordering krachtens dat artikel kon worden gedaan en veroordeelde de verdachte tot een geldboete.
De verdachte was samen met anderen aanwezig op een terrein waar een oud schoolgebouw werd gekraakt. Na een vordering van de politie om het terrein te verlaten, gaf de verdachte hier geen gehoor en werd aangehouden. De verdachte voerde aan dat er geen wettelijk ambtelijk bevel was gegeven en dat de vordering niet op een wettelijk voorschrift was gebaseerd.
De Hoge Raad oordeelt dat artikel 184, eerste lid, Sr vereist dat een vordering moet zijn gedaan krachtens een wettelijk voorschrift dat uitdrukkelijk bevoegdheid verleent tot het doen van een vordering. Artikel 2 Politiewet Pro 1993 bevat slechts een algemene taakomschrijving en is geen zodanig wettelijk voorschrift. Wel kan dit artikel als grondslag dienen voor handelingen waarvan het belemmeren strafbaar is, maar niet voor de vordering zelf.
Daarom vernietigt de Hoge Raad het arrest van het hof en wijst de zaak terug voor hernieuwde berechting. Het middel van de verdachte is gegrond, het hof heeft de wet onjuist toegepast. De veroordeling kan niet in stand blijven.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest en wijst de zaak terug voor hernieuwde berechting omdat de vordering niet op een wettelijk voorschrift was gebaseerd.